Skip to content
Zorg Space Open the app

Dutch vocabulary

Family and relationships

Familie en relaties

A2 · Elementary Words 38

Who belongs to your family, and what you say at a celebration or a loss.

These are the words of the “Family and relationships” unit in the Zorg Space Dutch course, level A2. Each noun is shown with its article (de or het), followed by its meaning in English and an example sentence in Dutch.

No single rule tells you whether a noun takes de or het, so learn every noun together with its article. Read the lesson on de or het

WordMeaningExample
de verloofdefiancé(e)Zij komt met haar verloofde naar het feest.
de echtgenoothusbandMijn echtgenoot werkt in de bouw.
de echtgenotewifeZijn echtgenote is verpleegkundige.
de schoonmoedermother-in-lawMijn schoonmoeder woont bij ons in de straat.
de schoonvaderfather-in-lawWij helpen mijn schoonvader met de tuin.
de schoonzussister-in-lawMijn schoonzus past soms op de kinderen.
de zwagerbrother-in-lawMijn zwager heeft een bestelbus.
de neefcousin, nephewMijn neef studeert in Rotterdam.
de nichtcousin, nieceMijn nicht komt uit Antwerpen.
het kleinkindgrandchildZij heeft nu haar eerste kleinkind.
de stiefvaderstepfatherZijn stiefvader brengt hem naar school.
de stiefmoederstepmotherHaar stiefmoeder kookt heel lekker.
de tweelingtwinsZij hebben een tweeling gekregen.
de bevallingdelivery, birthDe bevalling ging goed.
de geboortebirthWij vieren de geboorte van onze dochter.
de doopchristeningVolgende maand is de doop van het kind.
het verjaardagsfeestbirthday partyKom je op mijn verjaardagsfeest?
de bruiloftweddingDe bruiloft is in juni.
uitnodigen voorto invite toIk wil je uitnodigen voor het eten.
WordMeaningExample
feliciterento congratulateWij komen jullie feliciteren.
condolerento offer condolencesIk wil de familie condoleren.
cadeau gevento give a presentWat zullen wij als cadeau geven?
bloemen meenemento bring flowersZal ik bloemen meenemen voor de gastvrouw?
op bezoek gaanto go and visitWij gaan zondag bij oma op bezoek.
het goedmakento make upNa de ruzie wilden zij het goedmaken.
elkaar helpento help each otherIn onze straat helpen buren elkaar.
vertrouwen gevento give trustZij geeft haar kinderen veel vertrouwen.
geheim houdento keep a secretKun jij dit geheim houden?
roddelento gossipIk houd niet van roddelen over collega’s.
kennismaken metto get to knowLeuk om kennis te maken met uw man.
vriendschap sluitento make friendsOp de cursus sloot ik een vriendschap.
contact houdento keep in touchWij proberen contact te houden.
alleenstaandsingleZij is alleenstaand met twee kinderen.
samenwonento live togetherZij gaan volgend jaar samenwonen.
het eenoudergezinsingle-parent familyZij groeit op in een eenoudergezin.
het jubileumanniversaryMijn ouders vieren dit jaar hun jubileum.
de begrafenisfuneralDe begrafenis is vrijdag om elf uur.
uit elkaar gaanto break upZij zijn vorig jaar uit elkaar gegaan.

Learn these words with spaced review

In the Zorg Space app every word comes with a picture and its pronunciation, and comes back for review just before you would forget it.

Start for free