mij, jou, hem, haar, ons, hen
De regel
Naast ik, jij, hij en zij heeft het Nederlands een tweede rij: de vorm die u gebruikt als de persoon niet het onderwerp is. Ik zie hem, Hij belt mij, Wij helpen hen. Bij mij, jou en hen bestaat ook een korte vorm — me, je, ze — die u in gewone spreektaal het meeste hoort: Hij belt me straks. De korte vorm gebruikt u niet als u nadruk wilt leggen: Hij belt MIJ, niet jou.
ik → MIJ/me jij → JOU/je hij → HEM zij → HAAR wij → ONS zij(mv) → HEN/ze
Voorbeelden
Kunt u mij helpen?
mij = niet het onderwerp
Ik zie hem morgen.
hem = hij als mijwerp
De dokter belt haar vanmiddag.
haar = zij
Hij belt me straks.
me = korte vorm van mij
Veelgemaakte fouten
-
Fout: Kunt u ik helpen?
Goed: Kunt u mij helpen?
Na het werkwoord komt mij, niet ik.
-
Fout: Ik zie hij morgen.
Goed: Ik zie hem morgen.
hij is het onderwerp, hem het lijdend voorwerp.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Kunt u _____ helpen?
- me zelf
- mijn
- ik
- mij
Toon antwoord
Antwoord: D Kunt u mij helpen?
Na het werkwoord: mij.
-
2Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Ik ken _____ al jaren.
- hun
- zijn
- hij
- hem
Toon antwoord
Antwoord: D Ik ken hem al jaren.
hem = hij als voorwerp.
-
3Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
De juf heeft _____ gisteren gebeld.
- ze is
- zij
- haar
- hen
Toon antwoord
Antwoord: C De juf heeft haar gisteren gebeld.
haar = zij als voorwerp.
-
4Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Wilt u _____ een moment helpen? Wij wachten hier.
- onze
- wij
- hen
- ons
Toon antwoord
Antwoord: D Wilt u ons een moment helpen? Wij wachten hier.
wij → ons.
-
5Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Mijn buren zijn aardig. Ik help _____ vaak.
- hun huis
- hen
- zij
- hem
Toon antwoord
Antwoord: B Mijn buren zijn aardig. Ik help hen vaak.
meervoud → hen of ze.
-
6Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Ziet de dokter u om drie uur is.
- De dokter u ziet om drie uur.
- De dokter ziet om drie uur u ziet.
- De dokter ziet u om drie uur.
Toon antwoord
Antwoord: D De dokter ziet u om drie uur.
Het voorwerp staat na het werkwoord.
-
7Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Hij mij belt, niet jou.
- Hij belt ik, niet jij.
- Hij belt mij, niet jou.
- Hij belt me, niet je.
Toon antwoord
Antwoord: C Hij belt mij, niet jou.
Met nadruk gebruikt u de lange vorm.
-
8Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Kan jij mij helpen? Ik zoek hij.
- Kun jij me helpen? Ik zoek hij.
- Kan jij ik helpen? Ik zoek hem.
- Kun jij mij helpen? Ik zoek hij hem.
- Kun jij mij helpen? Ik zoek hem.
Toon antwoord
Antwoord: D Kun jij mij helpen? Ik zoek hem.
Het voorwerp is hem, niet hij.
-
9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
De gemeente heeft wij een brief gestuurd.
- De gemeente heeft wij een brief sturen.
- De gemeente heeft onze een brief gestuurd.
- De gemeente ons heeft een brief gestuurd.
- De gemeente heeft ons een brief gestuurd.
Toon antwoord
Antwoord: D De gemeente heeft ons een brief gestuurd.
wij → ons als voorwerp.
-
10Kies de juiste zin.
Kies het goede woord.
Ik heb het pakket. Ik geef _____ morgen aan u.
- hen
- haar
- het
- hem
Toon antwoord
Antwoord: C het
Voor een ding gebruikt u het.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen