Nederlandse grammatica
Alle lessen Nederlandse grammatica van Zorg Space, per niveau en onderwerp. Elke les legt één regel uit, met voorbeelden, veelgemaakte fouten en uitgewerkte oefenvragen.
A0 Start Lessen: 22
Verwijzen naar mensen en dingen
- Persoonlijke voornaamwoordenHet Nederlands heeft voor sommige voornaamwoorden een volle en een korte vorm: jij/je, zij/ze, wij/we.
- je of uHet Nederlands heeft twee woorden voor "you".
- de of hetHet Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: de en het.
- het lidwoord eenWaar de en het twee vormen zijn, is er maar één onbepaald lidwoord: een.
- deze, dit, die, datOm te wijzen gebruikt het Nederlands vier woorden.
- Bezittelijke voornaamwoordenmijn, jouw/je, uw, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun.
Werkwoorden en tijd
- Het werkwoord zijnzijn is onregelmatig, dus u leert de vormen uit het hoofd: ik ben, jij/u bent, hij/zij/het is, wij/jullie/zij zijn.
- Het werkwoord hebbenik heb, jij hebt, u hebt of u heeft, hij/zij/het heeft, wij/jullie/zij hebben.
- De tegenwoordige tijdNeem het hele werkwoord (werken) en haal -en weg.
- gaan, staan, doen, zienDeze vier werkwoorden lijken onregelmatig, maar volgen dezelfde regel als werken — hun stam is alleen kort: ga, sta…
- kunnen, moeten, willen, mogenMet deze vier werkwoorden zegt u wat kan, moet, gewenst of toegestaan is.
- Scheidbare werkwoordenSommige werkwoorden bestaan uit twee stukken: opstaan, meegaan, invullen, opbellen, afzeggen.
Zelfstandige naamwoorden en beschrijven
- Het meervoudDe meeste woorden krijgen -en: boek wordt boeken, vraag wordt vragen.
- Het bijvoeglijk naamwoordStaat het woord NA het zelfstandig naamwoord, met zijn ertussen, dan verandert er niets: Het huis is groot.
Plaats en richting
Nee zeggen
Vragen stellen
- Ja/nee-vragenWilt u een vraag stellen waarop ja of nee het antwoord is?
- Vraagwoordenwie (welke persoon), wat (welk ding), waar (welke plaats), wanneer (welk moment), hoe (op welke manier), waarom (met…
De zin bouwen
- De hoofdzinIn een gewone Nederlandse mededeling staat het werkwoord op de TWEEDE plaats.
- InversieDit is geen nieuwe regel — het is dezelfde regel.
Zinnen verbinden
A1 Beginner Lessen: 16
Verwijzen naar mensen en dingen
Werkwoorden en tijd
- De voltooide tijd met hebbenWilt u zeggen wat u gedaan hebt, dan gebruikt u twee werkwoorden: hebben op plaats twee en het voltooid deelwoord aan…
- De voltooide tijd met zijnNiet elk werkwoord neemt hebben.
- Onregelmatige deelwoordenVeel gewone werkwoorden maken het deelwoord niet met -t of -d, maar met -en en vaak met een andere klinker.
- was, waren, had, haddenVoor zijn en hebben gebruikt het Nederlands meestal geen voltooide tijd maar de gewone verleden tijd.
- Over later praten: gaan en zullenHet Nederlands heeft geen aparte toekomende tijd nodig.
- Werkwoorden met me, je, zichSommige Nederlandse werkwoorden hebben altijd een extra woordje bij zich: zich voelen, zich wassen, zich aankleden…
- mogen, hoeven en zou graagA0 gaf u kunnen, moeten en willen.
- De gebiedende wijsEen instructie geeft u met de stam van het werkwoord, zonder onderwerp: Kom binnen.
Zelfstandige naamwoorden en beschrijven
- groter, het grootstVergelijken doet u in het Nederlands met een uitgang, niet met een extra woord.
- Het verkleinwoord: -jeHet Nederlands zet heel vaak -je achter een zelfstandig naamwoord: een kopje koffie, een momentje, een broodje, een…
- De -e bij het bijvoeglijk naamwoordStaat er een bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naamwoord, dan krijgt het bijna altijd een -e: de grote kamer…
De zin bouwen
- Tijd, manier, plaatsStaat er na het werkwoord meer dan één stukje informatie, dan heeft het Nederlands een vaste volgorde: eerst de tijd…
- er is, er zijnWilt u zeggen dat iets bestaat of ergens aanwezig is, dan begint het Nederlands met er.
Zinnen verbinden
A2 Elementair Lessen: 20
Verwijzen naar mensen en dingen
- Er: staan, aantallen en voorzetselsEr doet in het Nederlands drie dingen.
- Iemand, niemand, iets, niets, elk en alleVoor mensen gebruikt u iemand en niemand, voor dingen iets en niets.
Werkwoorden en tijd
- De verleden tijd van zwakke werkwoordenNaast de voltooide tijd heeft het Nederlands een verleden tijd.
- De verleden tijd van sterke werkwoordenSterke werkwoorden krijgen geen -te of -de, maar veranderen van klinker: gaan wordt ging, komen wordt kwam, zien wordt…
- Voltooide tijd of verleden tijd?Nederlands gebruikt de twee tijden anders dan u misschien verwacht.
- Modale werkwoorden in het verledenDe zes modale werkwoorden krijgen in het verleden een eigen vorm: kunnen wordt kon en konden, moeten wordt moest en…
- Scheidbare werkwoorden in alle tijdenVeel Nederlandse werkwoorden bestaan uit twee stukken: opbellen, meenemen, invullen, opstaan, aankomen.
- Werkwoorden met teVeel werkwoorden nemen een tweede werkwoord met te: proberen te, beginnen te, vergeten te, hopen te, beloven te, hoeven…
- Zou en zouden: beleefd vragen en voorstellenMet zou en zouden vraagt u iets zonder het te eisen: "Zou u mij kunnen helpen?" is vriendelijker dan "Kunt u mij…
Zelfstandige naamwoorden en beschrijven
- Vergelijken: groter, het grootst, net zo grootVoor een vergelijking plakt u -er achter het bijvoeglijk naamwoord en gebruikt u dan: "Deze woning is groter dan de…
- Wel of geen -e achter het bijvoeglijk naamwoordVoor een zelfstandig naamwoord krijgt een bijvoeglijk naamwoord bijna altijd een -e: de grote tafel, het grote huis…
- Meervoud en verkleinwoordHet meervoud is meestal -en: brief wordt brieven, dag wordt dagen.
Plaats en richting
Nee zeggen
Vragen stellen
De zin bouwen
Zinnen verbinden
- Toen, als of wanneer?Alle drie betekenen ze iets met tijd, maar ze staan niet op dezelfde plek.
- Omdat, want, dus en daaromAlle vier geven een reden of een gevolg, maar ze doen iets anders met de woordvolgorde.
- Voordat, nadat en terwijlDeze drie zeggen wanneer iets gebeurde ten opzichte van iets anders.
- De bijzin met die en datMet die en dat hangt u een hele zin achter een zelfstandig naamwoord: "de man die naast mij woont", "het formulier dat…
B1 Middenniveau Lessen: 20
Verwijzen naar mensen en dingen
- u of je: kiezen en volhoudenU kiest u of je op grond van de relatie, niet van het onderwerp.
- Vier soorten erEr doet vier dingen. Plaats: Ik ben er al geweest (= daar).
- waarmee, waarover, waarvan: naar dingen verwijzenVoor mensen zegt u met wie, over wie.
Werkwoorden en tijd
- De lijdende vorm met wordenIn een lijdende zin is belangrijk WAT er gebeurt, niet wie het doet.
- De lijdende vorm met zijn: het resultaatMet worden vertelt u dat iets GEBEURT; met zijn dat het KLAAR is.
- Wie het doet: door in de lijdende vormSoms moet u wél zeggen wie iets doet.
- zou: beleefd vragen en voorzichtig zeggenZou maakt een vraag zachter en een mening voorzichtiger.
- moeten, kunnen en mogen in de verleden tijdVoor iets wat u moest of kon in het verleden hebt u twee wegen.
Zelfstandige naamwoorden en beschrijven
Plaats en richting
Nee zeggen
Vragen stellen
De zin bouwen
- om te: waarvoor u iets doetOm te + infinitief zegt waarom of waarvoor.
- Vertellen wat iemand zei: dat en ofU hoeft niet letterlijk te herhalen wat iemand zei.
- Scheidbare werkwoorden in een bijzinIn een hoofdzin valt het voorzetsel weg naar achteren: Ik lever het formulier morgen in.
- Tijd, manier, plaats in langere zinnenDe volgorde tijd – manier – plaats kent u al.
Zinnen verbinden
- hoewel: iets toegeven en toch doorgaanMet hoewel geeft u toe dat er iets tegen is, en toch gebeurt het andere.
- zodat: met welk gevolgZodat vertelt wat het gevolg of het doel is: Ik stuur de stukken vandaag, zodat u ze morgen heeft.
- nadat en voordat: eerst en daarnaVoordat zegt wat er eerder gebeurt, nadat wat er eerder gebeurd is.
- als … dan: echte en onechte voorwaardenMet als zegt u onder welke voorwaarde iets geldt.
B2 Gevorderd Lessen: 20
Verwijzen naar mensen en dingen
- Hiermee, daarvan, waarbij: verwijzen met voorzetselsNaar een ding verwijst u niet met voorzetsel + het, maar met er/daar/hier/waar + voorzetsel aan elkaar gedacht: niet…
- Betrekkelijke bijzinnen: die, dat, wat en wieDe bijzin die een naamwoord inkleurt begint met die (de- woorden en meervoud) of dat (het-woorden): het rapport dat u…
- Ambtelijk register: dient, gelieve, menDe brief van een instantie heeft eigen werkwoorden.
Werkwoorden en tijd
- De voltooide lijdende vorm: is en was gebeurdMet wordt zegt u wat er nu gebeurt; met is + voltooid deelwoord zegt u wat er al gebeurd is: uw aanvraag is behandeld.
- Zou als afstand: beweringen van een anderMet zou geeft u een bewering door zonder er zelf voor te tekenen: de dader zou gevlucht zijn — dat zegt iemand, u weet…
- De irrealis: als het anders was gelopenVoor iets dat niet zo is of niet zo gelopen is, zet u de tijd één stap terug.
- Deelwoorden als bepaling: de gestelde eisenFormeel Nederlands vouwt een hele bijzin in één woord voor het zelfstandig naamwoord.
- De dubbele infinitief: had moeten meldenZet u een modaal werkwoord of laten in de voltooide tijd, dan komt er geen deelwoord maar twee infinitieven achteraan…
Zelfstandige naamwoorden en beschrijven
Plaats en richting
Nee zeggen
Vragen stellen
De zin bouwen
- Het middenveld: de volgorde tussen de werkwoordenTussen het vervoegde werkwoord en de werkwoorden achteraan geldt een vaste route.
- Vooropplaatsing: nadruk aan het begin van de zinDe eerste plaats van de zin is de schijnwerper.
Zinnen verbinden
- Oorzaak en reden: aangezien, doordat, vanwegeOmdat geeft een reden, doordat een oorzaak waar niemand voor kiest: doordat de lift kapot was, kwam de brancard te laat.
- Formeel contrast: echter, daarentegen, desondanksMaar opent een tegenstelling in spreektaal; op papier draagt echter hetzelfde: de aanvraag is echter te laat ingediend.
- Doel of gevolg: opdat, zodat, waardoorZodat kan twee dingen dragen: een bedoeling én een gevolg.
- Voorwaarden: tenzij, mits, indien, voor zoverIndien is het formele als van de brief: indien u niet reageert, vervalt de reservering.
- Indirecte rede in het verleden: hij zei dat hij zou…Rapporteert u wat iemand eerder zei, dan schuiven de tijden mee naar het verleden: "ik kom morgen" wordt hij zei dat…
- Tekstbijwoorden: immers, bovendien, overigens, althansDeze woorden zeggen niets over de wereld en alles over de tekst.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen