Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Tijd, manier, plaats

A1 · Beginner De zin bouwen Vragen 10

De regel

Staat er na het werkwoord meer dan één stukje informatie, dan heeft het Nederlands een vaste volgorde: eerst de tijd, dan de manier, dan de plaats. Ik ga morgen met de bus naar Utrecht — morgen is de tijd, met de bus is de manier, naar Utrecht is de plaats. In het Engels en in het Arabisch staat de plaats vaak eerst, en juist daardoor klinkt Ik ga naar Utrecht morgen verkeerd zonder dat u hoort waarom.

Patroon

werkwoord → TIJD → MANIER → PLAATS

Voorbeelden

  1. Ik ga morgen met de bus naar Utrecht.

    tijd – manier – plaats

  2. Wij eten vanavond thuis.

    tijd – plaats

  3. Hij werkt sinds januari in het ziekenhuis.

    tijd – plaats

  4. Ik kom om acht uur met de auto naar het station.

    alle drie

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik ga naar Utrecht morgen.

    Goed: Ik ga morgen naar Utrecht.

    De tijd komt vóór de plaats.

  • Fout: Ik ga met de bus morgen naar huis.

    Goed: Ik ga morgen met de bus naar huis.

    Tijd staat vóór manier.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik ga naar morgen de dokter.
    2. Ik morgen ga naar de dokter.
    3. Ik ga naar de dokter morgen.
    4. Ik ga morgen naar de dokter.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik ga morgen naar de dokter.

    Tijd vóór plaats.

  2. 2Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Wij gaan naar Amsterdam zaterdag met de trein.
    2. Wij gaan zaterdag naar Amsterdam met de trein gaan.
    3. Wij gaan met de trein zaterdag naar Amsterdam.
    4. Wij gaan zaterdag met de trein naar Amsterdam.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Wij gaan zaterdag met de trein naar Amsterdam.

    Tijd, dan manier, dan plaats.

  3. 3Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Hij vanaf maandag werkt in Rotterdam.
    2. Hij werkt in vanaf maandag Rotterdam.
    3. Hij werkt in Rotterdam vanaf maandag.
    4. Hij werkt vanaf maandag in Rotterdam.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Hij werkt vanaf maandag in Rotterdam.

    Ook met twee stukjes blijft de volgorde tijd–plaats.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Morgen met de fiets ga ik naar mijn werk gaan.
    2. Morgen ga met de fiets ik naar mijn werk.
    3. Morgen ga ik met de fiets naar mijn werk.
    4. Morgen ik ga met de fiets naar mijn werk.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Morgen ga ik met de fiets naar mijn werk.

    Begint de zin met de tijd, dan komt het werkwoord meteen.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik ga naar het ziekenhuis vanmiddag.

    1. Ik ga vanmiddag naar het ziekenhuis.
    2. Ik ga naar vanmiddag het ziekenhuis.
    3. Vanmiddag ik ga naar het ziekenhuis.
    4. Ik vanmiddag ga naar het ziekenhuis.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik ga vanmiddag naar het ziekenhuis.

    De tijd hoort vóór de plaats.

  6. 6Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Zij komt met de auto om zes uur naar ons.

    1. Zij komt om zes uur met de auto naar ons.
    2. Zij om zes uur komt met de auto naar ons.
    3. Om zes uur zij komt met de auto naar ons.
    4. Zij komt naar ons om zes uur met de auto.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Zij komt om zes uur met de auto naar ons.

    Eerst de tijd, dan de manier.

  7. 7Vul het gat in.

    Kies het goede woord.

    Ik werk _____ in het centrum.

    1. met de bus naar
    2. in de winkel
    3. naar het centrum
    4. sinds vorige maand
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik werk sinds vorige maand in het centrum.

    Een tijdwoord past hier, vóór de plaats.

  8. 8Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik wil morgen met de trein naar Den Haag gaan.
    2. Ik wil morgen gaan met de trein naar Den Haag.
    3. Ik wil gaan morgen met de trein naar Den Haag.
    4. Ik morgen wil met de trein naar Den Haag gaan.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik wil morgen met de trein naar Den Haag gaan.

    Bij twee werkwoorden staat het tweede achteraan, na plaats.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik ben gisteren gegaan met de bus naar de gemeente.
    2. Gisteren ik ben met de bus naar de gemeente gegaan.
    3. Ik ben gisteren met de bus naar de gemeente gegaan.
    4. Ik ben gegaan gisteren met de bus naar de gemeente.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik ben gisteren met de bus naar de gemeente gegaan.

    In de voltooide tijd staat het deelwoord na de plaats.

  10. 10Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Wij eten thuis vanavond.

    1. Wij eten vanavond thuis.
    2. Vanavond wij eten thuis.
    3. Wij eten thuis vanavond eten.
    4. Wij vanavond eten thuis.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij eten vanavond thuis.

    Tijd vóór plaats: vanavond thuis.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen