Skip to content
Zorg Space Open the app

Dutch vocabulary

Fixed combinations and prepositions

Vaste combinaties en voorzetsels

A2 · Elementary Words 39

Which preposition goes with which verb — the thing A2 keeps tripping over.

These are the words of the “Fixed combinations and prepositions” unit in the Zorg Space Dutch course, level A2. Each noun is shown with its article (de or het), followed by its meaning in English and an example sentence in Dutch.

No single rule tells you whether a noun takes de or het, so learn every noun together with its article. Read the lesson on de or het

WordMeaningExample
denken aanto think ofIk moet nog denken aan de boodschappen.
wachten opto wait forWij wachten op de uitslag.
zoeken naarto look forZij zoekt naar een nieuwe baan.
kijken naarto watchWij kijken naar het nieuws.
luisteren naarto listen toLuister goed naar de vraag.
vragen omto ask forU kunt vragen om uitleg.
bang zijn voorto be afraid ofMijn dochter is bang voor honden.
trots zijn opto be proud ofWij zijn trots op onze zoon.
blij zijn metto be pleased withIk ben blij met deze woning.
boos zijn opto be angry withHij was boos op de buren.
klaar zijn metto be finished withIk ben klaar met het formulier.
beginnen metto start withWij beginnen met een korte oefening.
praten overto talk aboutLaten wij praten over de kosten.
schrijven overto write aboutZij schrijft over haar eerste jaar hier.
twijfelen aanto doubtIk twijfel aan dit antwoord.
geloven into believe inHij gelooft in een goede afloop.
rekenen opto count onU kunt op mij rekenen.
letten opto pay attention toLet op de tijd.
passen opto look afterMijn moeder past op de kinderen.
lijken opto look likeHij lijkt op zijn vader.
WordMeaningExample
reageren opto respond toKunt u reageren op mijn mail?
antwoorden opto answerZij antwoordde niet op mijn vraag.
bijdragen aanto contribute toIedereen kan bijdragen aan de buurt.
deelnemen aanto take part inWilt u deelnemen aan de cursus?
wennen aanto get used toIk moet nog wennen aan het weer.
behoefte hebben aanto needWij hebben behoefte aan meer informatie.
last hebben vanto be bothered byIk heb last van mijn rug.
zin hebben into fancyHeb je zin in koffie?
moeite hebben metto have trouble withZij heeft moeite met de uitspraak.
hulp bieden bijto offer help withDe gemeente biedt hulp bij het formulier.
bestaan uitto consist ofDe cursus bestaat uit tien lessen.
zorgen datto make sure thatZorg dat je op tijd bent.
ervoor zorgen datto see to it thatIk zorg ervoor dat het klaar is.
erin slagen omto succeed inHij slaagde erin om het te regelen.
de tijd nemen omto take the time toNeem de tijd om het te lezen.
in staat zijn omto be able toZij is in staat om alleen te reizen.
van plan zijn omto intend toWij zijn van plan om te verhuizen.
op het punt staan omto be about toIk stond op het punt om te bellen.
stoppen metto stop doingHij wil stoppen met roken.

Learn these words with spaced review

In the Zorg Space app every word comes with a picture and its pronunciation, and comes back for review just before you would forget it.

Start for free