Skip to content
Zorg Space Open the app

Dutch vocabulary

Time, planning and routine

Tijd, planning en routine

A2 · Elementary Words 32

When something happens and how you organise your week.

These are the words of the “Time, planning and routine” unit in the Zorg Space Dutch course, level A2. Each noun is shown with its article (de or het), followed by its meaning in English and an example sentence in Dutch.

No single rule tells you whether a noun takes de or het, so learn every noun together with its article. Read the lesson on de or het

WordMeaningExample
om de dagevery other dayIk sport om de dag.
elke ochtendevery morningElke ochtend breng ik de kinderen weg.
tussendoorin betweenTussendoor drink ik even koffie.
voorafin advanceBetaal vooraf, dan is het geregeld.
achterafafterwardsAchteraf kreeg ik de rekening.
tegelijkat the same timeWij kwamen tegelijk aan.
na afloopafterwards, at the endNa afloop drinken wij nog iets.
op den duurin the long runOp den duur went het wel.
onlangsrecentlyOnlangs zijn wij verhuisd.
vroegerin the pastVroeger woonde ik in een dorp.
tegenwoordignowadaysTegenwoordig regel ik alles online.
ondertussenmeanwhileOndertussen belde de dokter terug.
zodraas soon asBel mij zodra u er bent.
zolangas long asWacht hier zolang ik binnen ben.
vanaf nufrom now onVanaf nu doe ik het anders.
tot nu toeso farTot nu toe gaat alles goed.
WordMeaningExample
voorlopigfor the time beingVoorlopig blijven wij hier wonen.
planning makento make a planIk ga eerst een planning maken.
inhalen van werkcatching up on workDit weekend ben ik werk aan het inhalen.
vooruit werkento work aheadIk probeer een dag vooruit te werken.
achterlopento be behindIk loop achter met mijn huiswerk.
deadline halento meet a deadlineWij gaan de deadline net halen.
op schemaon scheduleHet werk ligt op schema.
tijd inplannento schedule timeIk moet tijd inplannen voor de cursus.
tijd vrijmakento free up timeKun jij morgen tijd vrijmaken?
tijd tekortto run short of timeIk kom altijd tijd tekort.
haast hebbento be in a hurrySorry, ik heb haast.
rustig aan doento take it easyDe dokter zei dat ik het rustig aan moet doen.
op tijd vertrekkento leave on timeWij moeten op tijd vertrekken.
ruim van tevorenwell in advanceKom ruim van tevoren naar het station.
op het laatste momentat the last momentHij zegde op het laatste moment af.
een gaatje vindento find a slotKunt u nog een gaatje vinden deze week?

Learn these words with spaced review

In the Zorg Space app every word comes with a picture and its pronunciation, and comes back for review just before you would forget it.

Start for free