Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

niet of geen

A0 · Start Nee zeggen Vragen 9

De regel

Kies geen als u een zelfstandig naamwoord ontkent dat een of geen lidwoord had: Ik heb een auto wordt Ik heb geen auto; Ik eet vlees wordt Ik eet geen vlees. In alle andere gevallen gebruikt u niet: bij werkwoorden, bij bijvoeglijke naamwoorden, en bij woorden met de, het, mijn of deze ervoor. Niet staat meestal achteraan, maar wel vóór een tweede werkwoord: Ik kan vandaag niet werken.

Patroon

een auto → GEEN auto · mijn auto → mijn auto NIET

Voorbeelden

  1. Ik heb geen DigiD.

    onbepaald → geen

  2. Ik eet geen varkensvlees.

    geen lidwoord → geen

  3. Mijn pinpas werkt niet.

    werkwoord → niet

  4. Ik kan vandaag niet werken.

    niet vóór het tweede werkwoord

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik heb niet een auto.

    Goed: Ik heb geen auto.

    een + niet wordt geen.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Ik heb _____ tijd.

    1. niet een
    2. niet
    3. geen niet
    4. geen
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik heb geen tijd.

    Geen lidwoord voor tijd → geen.

  2. 2Vul het gat in.

    Mijn pinpas werkt _____.

    1. nee
    2. geen
    3. niet
    4. geen niet
    Toon antwoord

    Antwoord: C Mijn pinpas werkt niet.

    Ontkenning van een werkwoord → niet.

  3. 3Verander de zin.

    Maak de zin ontkennend.

    Ik heb een afspraak.

    1. Ik heb niet een afspraak.
    2. Ik heb geen afspraak.
    3. Ik geen heb afspraak.
    4. Ik heb een afspraak niet.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik heb geen afspraak.

    een verdwijnt en wordt geen.

  4. 4Verander de zin.

    Maak de zin ontkennend.

    Ik begrijp deze brief.

    1. Ik niet begrijp deze brief.
    2. Ik begrijp geen deze brief.
    3. Ik begrijp deze brief niet.
    4. Ik begrijp niet deze brief.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik begrijp deze brief niet.

    deze is bepaald, dus niet — en het staat achteraan.

  5. 5Kies de juiste zin.

    1. Ik kan vandaag niet werken.
    2. Ik kan geen vandaag werken.
    3. Ik kan vandaag werken niet.
    4. Ik niet kan vandaag werken.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik kan vandaag niet werken.

    niet staat vóór het tweede werkwoord.

  6. 6Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Ik eet niet vlees.

    1. Ik eet geen vlees.
    2. Ik eet geen niet vlees.
    3. Ik eet vlees niet.
    4. Ik niet eet vlees.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik eet geen vlees.

    Zelfstandig naamwoord zonder lidwoord → geen.

  7. 7Vul het gat in.

    De lift werkt _____.

    1. niet
    2. nee
    3. niets
    4. geen
    Toon antwoord

    Antwoord: A De lift werkt niet.

    Een werkwoord ontkennen → niet.

  8. 8Zet de woorden in de juiste volgorde.

    niet De werkt douche

    Toon antwoord

    Antwoord: De douche werkt niet

    niet komt achteraan als het het werkwoord ontkent.

  9. 9Verander de zin.

    Zeg dat u er geen heeft.

    Ik heb een rijbewijs.

    1. Ik heb een rijbewijs niet.
    2. Ik heb niet een rijbewijs.
    3. Ik heb geen rijbewijs.
    4. Ik geen heb rijbewijs.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik heb geen rijbewijs.

    een wordt geen; verder verandert er niets.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen