Tijdwoorden
De regel
vandaag, morgen, gisteren, nu, straks, altijd, vaak, soms, nooit. U mag ze op twee plekken zetten: achter het werkwoord (Ik werk vandaag) of helemaal vooraan (Vandaag werk ik). Kiest u voor vooraan, vergeet dan de inversie niet — het werkwoord moet op plaats twee blijven.
Ik werk vandaag. = Vandaag werk ik.
Voorbeelden
Ik ga straks naar de winkel.
achter het werkwoord
Morgen ben ik vrij.
vooraan, dus inversie
Ik ben nooit te laat.
achter het werkwoord
Ik ben morgen niet beschikbaar.
tijd vóór niet
Veelgemaakte fouten
-
Fout: Morgen ik ben vrij.
Goed: Morgen ben ik vrij.
Een tijdwoord vooraan geeft inversie.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Verander de zin.
Begin de zin met morgen.
Ik ben morgen vrij.
- Morgen ik ben vrij.
- Morgen ben ik vrij.
- Ben morgen ik vrij.
- Morgen is ik vrij.
Toon antwoord
Antwoord: B Morgen ben ik vrij.
Tijdwoord vooraan → inversie.
-
2Kies de juiste zin.
- Ik ben niet morgen beschikbaar.
- Ik morgen ben niet beschikbaar.
- Ik ben morgen niet beschikbaar.
- Ik ben niet beschikbaar morgen niet.
Toon antwoord
Antwoord: C Ik ben morgen niet beschikbaar.
Het tijdwoord staat vóór niet.
-
3Vul het gat in.
Ik kom _____ te laat. Ik ben altijd op tijd.
- nooit
- vaak
- altijd
- nu
Toon antwoord
Antwoord: A Ik kom nooit te laat. Ik ben altijd op tijd.
nooit is de tegenstelling van altijd.
-
4Zet de woorden in de juiste volgorde.
naar ga Straks de ik winkel
Toon antwoord
Antwoord: Straks ga ik naar de winkel
Straks vooraan, dus ga op plaats twee.
-
5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Vandaag ik heb geen tijd.
- Heb vandaag ik geen tijd.
- Vandaag ik heb niet tijd.
- Vandaag heb ik geen tijd.
- Vandaag geen tijd ik heb.
Toon antwoord
Antwoord: C Vandaag heb ik geen tijd.
Tijdwoord vooraan → werkwoord op plaats twee.
-
6Vul het gat in.
De trein gaat _____ half drie.
- aan
- op
- in
- om
Toon antwoord
Antwoord: D De trein gaat om half drie.
Een kloktijd krijgt om.
-
7Vul het gat in.
_____ maandag werk ik niet.
- Om
- In
- Op
- Aan
Toon antwoord
Antwoord: C Op maandag werk ik niet.
Een weekdag krijgt op.
-
8Kies de juiste zin.
- Het is kwart na zes.
- Het is kwart over zes.
- Het is een kwart over zes.
- Het is kwart voor over zes.
Toon antwoord
Antwoord: B Het is kwart over zes.
Het Nederlands zegt over, nooit na, voor na het hele uur.
-
9Kies de juiste zin.
- Het is half twee dertig.
- Het is half na twee.
- Het is de half drie.
- Het is half drie.
Toon antwoord
Antwoord: D Het is half drie.
half drie is een half uur VOOR drie.
-
10Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Ik kom in maandag.
- Ik kom maandag in.
- Ik kom om maandag.
- Ik kom aan maandag.
- Ik kom op maandag.
Toon antwoord
Antwoord: D Ik kom op maandag.
Dagen krijgen op; maanden krijgen in.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen