Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Tijdwoorden

A0 · Start Zinnen verbinden Vragen 10

De regel

vandaag, morgen, gisteren, nu, straks, altijd, vaak, soms, nooit. U mag ze op twee plekken zetten: achter het werkwoord (Ik werk vandaag) of helemaal vooraan (Vandaag werk ik). Kiest u voor vooraan, vergeet dan de inversie niet — het werkwoord moet op plaats twee blijven.

Patroon

Ik werk vandaag. = Vandaag werk ik.

Voorbeelden

  1. Ik ga straks naar de winkel.

    achter het werkwoord

  2. Morgen ben ik vrij.

    vooraan, dus inversie

  3. Ik ben nooit te laat.

    achter het werkwoord

  4. Ik ben morgen niet beschikbaar.

    tijd vóór niet

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Morgen ik ben vrij.

    Goed: Morgen ben ik vrij.

    Een tijdwoord vooraan geeft inversie.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Verander de zin.

    Begin de zin met morgen.

    Ik ben morgen vrij.

    1. Morgen ik ben vrij.
    2. Morgen ben ik vrij.
    3. Ben morgen ik vrij.
    4. Morgen is ik vrij.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Morgen ben ik vrij.

    Tijdwoord vooraan → inversie.

  2. 2Kies de juiste zin.

    1. Ik ben niet morgen beschikbaar.
    2. Ik morgen ben niet beschikbaar.
    3. Ik ben morgen niet beschikbaar.
    4. Ik ben niet beschikbaar morgen niet.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik ben morgen niet beschikbaar.

    Het tijdwoord staat vóór niet.

  3. 3Vul het gat in.

    Ik kom _____ te laat. Ik ben altijd op tijd.

    1. nooit
    2. vaak
    3. altijd
    4. nu
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik kom nooit te laat. Ik ben altijd op tijd.

    nooit is de tegenstelling van altijd.

  4. 4Zet de woorden in de juiste volgorde.

    naar ga Straks de ik winkel

    Toon antwoord

    Antwoord: Straks ga ik naar de winkel

    Straks vooraan, dus ga op plaats twee.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Vandaag ik heb geen tijd.

    1. Heb vandaag ik geen tijd.
    2. Vandaag ik heb niet tijd.
    3. Vandaag heb ik geen tijd.
    4. Vandaag geen tijd ik heb.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Vandaag heb ik geen tijd.

    Tijdwoord vooraan → werkwoord op plaats twee.

  6. 6Vul het gat in.

    De trein gaat _____ half drie.

    1. aan
    2. op
    3. in
    4. om
    Toon antwoord

    Antwoord: D De trein gaat om half drie.

    Een kloktijd krijgt om.

  7. 7Vul het gat in.

    _____ maandag werk ik niet.

    1. Om
    2. In
    3. Op
    4. Aan
    Toon antwoord

    Antwoord: C Op maandag werk ik niet.

    Een weekdag krijgt op.

  8. 8Kies de juiste zin.

    1. Het is kwart na zes.
    2. Het is kwart over zes.
    3. Het is een kwart over zes.
    4. Het is kwart voor over zes.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Het is kwart over zes.

    Het Nederlands zegt over, nooit na, voor na het hele uur.

  9. 9Kies de juiste zin.

    1. Het is half twee dertig.
    2. Het is half na twee.
    3. Het is de half drie.
    4. Het is half drie.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Het is half drie.

    half drie is een half uur VOOR drie.

  10. 10Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Ik kom in maandag.

    1. Ik kom maandag in.
    2. Ik kom om maandag.
    3. Ik kom aan maandag.
    4. Ik kom op maandag.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik kom op maandag.

    Dagen krijgen op; maanden krijgen in.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen