Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

je of u

A0 · Start Verwijzen naar mensen en dingen Vragen 10

De regel

Het Nederlands heeft twee woorden voor "you". Gebruik je bij vrienden, familie, kinderen en leeftijdsgenoten. Gebruik u bij onbekenden, ouderen, instanties en iedereen die u respect wilt tonen. Bij twijfel is u de veilige keuze.

Patroon

Hoe heet je? · Hoe heet u?

Voorbeelden

  1. Hoe heet je?

    Informeel.

  2. Hoe heet u?

    Beleefd.

  3. Wilt u koffie, mevrouw?

    Beleefd.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    U spreekt met een ambtenaar. Wat zegt u?

    1. Kunnen jullie mij helpen?
    2. Kun je mij helpen?
    3. Kunt u mij helpen?
    4. Kan ik u helpen?
    Toon antwoord

    Antwoord: C Kunt u mij helpen?

    Bij instanties gebruikt u u.

  2. 2Kies de juiste zin.

    U spreekt met een vriend. Wat zegt u?

    1. Waar woont u?
    2. Waar wonen jullie?
    3. Waar woont hij?
    4. Waar woon je?
    Toon antwoord

    Antwoord: D Waar woon je?

    Bij vrienden gebruikt u je.

  3. 3Verander de zin.

    Maak de zin beleefd.

    Hoe heet je?

    1. Hoe heten jullie?
    2. Hoe heten u?
    3. Hoe heet jij?
    4. Hoe heet u?
    Toon antwoord

    Antwoord: D Hoe heet u?

    Bij u verandert ook het werkwoord.

  4. 4Vul het gat in.

    Dag mevrouw, wilt _____ hier tekenen?

    1. je
    2. hij
    3. jullie
    4. u
    Toon antwoord

    Antwoord: D Dag mevrouw, wilt u hier tekenen?

    Mevrouw is formeel, dus u.

  5. 5Kies de juiste zin.

    Welke zin klopt?

    1. Werkt jij hier?
    2. Werk u hier?
    3. Werken u hier?
    4. Werkt u hier?
    Toon antwoord

    Antwoord: D Werkt u hier?

    Na u komt de -t-vorm: u werkt.

  6. 6Kies de juiste zin.

    U praat met een klasgenoot.

    1. Heb u het huiswerk?
    2. Hebt u het huiswerk?
    3. Heeft je het huiswerk?
    4. Heb je het huiswerk?
    Toon antwoord

    Antwoord: D Heb je het huiswerk?

    Een klasgenoot is je.

  7. 7Vul het gat in.

    Wat is _____ telefoonnummer? (beleefd)

    1. u
    2. je
    3. jouw
    4. uw
    Toon antwoord

    Antwoord: D Wat is uw telefoonnummer? (beleefd)

    Het beleefde bezit is uw.

  8. 8Vul het gat in.

    _____ spreekt met Ahmed Hassan.

    1. Je
    2. Jij
    3. U
    4. Uw
    Toon antwoord

    Antwoord: C U spreekt met Ahmed Hassan.

    Aan de telefoon met een onbekende is het u.

  9. 9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Kunt jij mij de weg wijzen, mevrouw?

    1. Kun u mij de weg wijzen, mevrouw?
    2. Kan jij mij de weg wijzen, mevrouw?
    3. Kunt u mij de weg wijzen, mevrouw?
    4. Kunt jij mij de weg wijzen, mevrouw.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Kunt u mij de weg wijzen, mevrouw?

    mevrouw en jij horen niet in dezelfde zin.

  10. 10Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Hoe gaat het met jou, dokter?

    1. Hoe gaat het met jouw, dokter?
    2. Hoe gaat het met je, dokter?
    3. Hoe gaat het met u, dokter.
    4. Hoe gaat het met u, dokter?
    Toon antwoord

    Antwoord: D Hoe gaat het met u, dokter?

    Tegen een dokter blijft de beleefde vorm staan.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen