Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Ja/nee-vragen

A0 · Start Vragen stellen Vragen 10

De regel

Wilt u een vraag stellen waarop ja of nee het antwoord is? Zet dan het werkwoord vooraan en het onderwerp erachter. Jij werkt hier wordt Werk jij hier? Let op die ene val: staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg. Bij u en hij gebeurt dat niet: Werkt u hier?

Patroon

Jij werkt hier. → Werk jij hier? U werkt hier. → Werkt u hier?

Voorbeelden

  1. Heeft u een afspraak?

    werkwoord vooraan

  2. Werk jij hier?

    jij achter het werkwoord: geen -t

  3. Is dit de goede bus?

    is vooraan

  4. Kunt u dat herhalen?

    modaal vooraan

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Verander de zin.

    Maak er een vraag van.

    Jij woont in Utrecht.

    1. Wonen jij in Utrecht?
    2. Jij woont in Utrecht?
    3. Woon jij in Utrecht?
    4. Woont jij in Utrecht?
    Toon antwoord

    Antwoord: C Woon jij in Utrecht?

    Werkwoord vooraan, en de -t valt weg.

  2. 2Verander de zin.

    Maak er een vraag van.

    U spreekt Engels.

    1. Spreekt u Engels?
    2. Spreek u Engels?
    3. Spreken u Engels?
    4. U spreekt Engels?
    Toon antwoord

    Antwoord: A Spreekt u Engels?

    Bij u blijft de -t staan.

  3. 3Kies de juiste zin.

    1. Vandaag de dokter is er?
    2. Er is de dokter vandaag?
    3. Is de dokter er vandaag?
    4. De dokter is er vandaag?
    Toon antwoord

    Antwoord: C Is de dokter er vandaag?

    Het werkwoord staat vooraan in een ja/nee-vraag.

  4. 4Zet de woorden in de juiste volgorde.

    jij Heb tijd even

    Toon antwoord

    Antwoord: Heb jij even tijd

    Werkwoord, dan onderwerp, dan de rest.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Kunt jij mij helpen?

    1. Kunnen jij mij helpen?
    2. Kun jij mij helpen?
    3. Jij kunt mij helpen?
    4. Kan jij mij helpen niet?
    Toon antwoord

    Antwoord: B Kun jij mij helpen?

    Bij jij achter het werkwoord: kun.

  6. 6Verander de zin.

    Maak er een vraag van.

    U heeft een verzekering.

    1. Hebben u een verzekering?
    2. Heeft u een verzekering?
    3. Heb u een verzekering?
    4. U heeft een verzekering?
    Toon antwoord

    Antwoord: B Heeft u een verzekering?

    Het werkwoord gaat naar voren, verder verandert niets.

  7. 7Verander de zin.

    Maak er een vraag van.

    Jij komt morgen langs.

    1. Komt jij morgen langs?
    2. Komen jij morgen langs?
    3. Kom jij morgen langs?
    4. Jij komt morgen langs?
    Toon antwoord

    Antwoord: C Kom jij morgen langs?

    jij achter het werkwoord verliest de -t.

  8. 8Zet de woorden in de juiste volgorde.

    tafel deze Is vrij

    Toon antwoord

    Antwoord: Is deze tafel vrij

    Werkwoord, onderwerp, dan de rest.

  9. 9Zet de woorden in de juiste volgorde.

    zonder komen ik afspraak Kan

    Toon antwoord

    Antwoord: Kan ik zonder afspraak komen

    Het modaal gaat voorop en het hele werkwoord wacht achteraan.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. Heeft u het op voorraad?
    2. Heeft het u op voorraad?
    3. Heb u het op voorraad?
    4. U heeft het op voorraad?
    Toon antwoord

    Antwoord: A Heeft u het op voorraad?

    Een ja/nee-vraag begint met het werkwoord.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen