Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Persoonlijke voornaamwoorden

A0 · Start Verwijzen naar mensen en dingen Vragen 10

De regel

Het Nederlands heeft voor sommige voornaamwoorden een volle en een korte vorm: jij/je, zij/ze, wij/we. De korte vorm gebruikt u normaal. De volle vorm legt nadruk: JIJ betaalt, niet iemand anders. Naast jij bestaat u, de beleefde vorm.

Patroon

ik · jij/je · u · hij · zij/ze | wij/we · jullie · zij/ze

Voorbeelden

  1. Ik woon in Utrecht.

    Ik woon in Utrecht.

  2. Ze is mijn zus.

    Zij is mijn zus.

  3. We komen morgen.

    Wij komen morgen.

  4. Jullie zijn te laat.

    Jullie zijn te laat.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    _____ ben Ahmed.

    1. Jij
    2. Ik
    3. Wij
    4. Hij
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik ben Ahmed.

    Na ik hoort ben.

  2. 2Vul het gat in.

    _____ is mijn broer.

    1. Wij
    2. Ik
    3. Hij
    4. Jullie
    Toon antwoord

    Antwoord: C Hij is mijn broer.

    Eén man, dus hij.

  3. 3Kies de juiste zin.

    1. Jullie wonen in Den Haag.
    2. Jullie is in Den Haag.
    3. Jullie woont in Den Haag.
    4. Jullie woon in Den Haag.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Jullie wonen in Den Haag.

    Jullie is het meervoud van jij.

  4. 4Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Mij ben ziek.

    1. Me ben ziek.
    2. Mijn ben ziek.
    3. Ik ben ziek.
    4. Mij is ziek.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik ben ziek.

    Het onderwerp is ik, niet mij.

  5. 5Zet de woorden in de juiste volgorde.

    in Amsterdam Wij wonen

    Toon antwoord

    Antwoord: Wij wonen in Amsterdam

    Onderwerp, dan werkwoord, dan de rest.

  6. 6Kies de juiste zin.

    Welke vorm is beleefd?

    1. Wonen ze hier?
    2. Woon jij hier?
    3. Wonen jullie hier?
    4. Woont u hier?
    Toon antwoord

    Antwoord: D Woont u hier?

    u is de beleefde vorm.

  7. 7Vul het gat in.

    _____ komt volgende maand. (mijn broer)

    1. Het
    2. Zij
    3. Hij
    4. Wij
    Toon antwoord

    Antwoord: C Hij komt volgende maand. (mijn broer)

    Eén man → hij.

  8. 8Vul het gat in.

    _____ wonen met zijn vieren.

    1. U
    2. Ik
    3. Wij
    4. Hij
    Toon antwoord

    Antwoord: C Wij wonen met zijn vieren.

    Meer personen inclusief uzelf → wij.

  9. 9Kies de juiste zin.

    U spreekt met uw verhuurder.

    1. Kunt jij iemand sturen?
    2. Kun u iemand sturen?
    3. Kunt u iemand sturen?
    4. Kan jij iemand sturen?
    Toon antwoord

    Antwoord: C Kunt u iemand sturen?

    Een verhuurder is u, en u hoort bij kunt.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. Zij werk in een winkel.
    2. Haar werkt in een winkel.
    3. Zij werkt in een winkel.
    4. Zij werken in een winkel.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Zij werkt in een winkel.

    zij voor één vrouw krijgt stam + t.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen