Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Het werkwoord zijn

A0 · Start Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

zijn is onregelmatig, dus u leert de vormen uit het hoofd: ik ben, jij/u bent, hij/zij/het is, wij/jullie/zij zijn. Eén ding valt op: staat jij ACHTER het werkwoord, dan verdwijnt de -t. Jij bent ziek, maar Ben jij ziek?

Patroon

ik ben · jij bent · hij is · wij zijn | Ben jij…?

Voorbeelden

  1. Ik ben Ahmed.

    ik → ben

  2. Zij is de huisarts.

    hij/zij → is

  3. Wij zijn hier nieuw.

    wij → zijn

  4. Ben jij de buurman?

    Na het werkwoord: geen -t.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Bent jij ziek?

    Goed: Ben jij ziek?

    jij achter het werkwoord verliest de -t.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Ik _____ te laat.

    1. ben
    2. is
    3. bent
    4. zijn
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik ben te laat.

    ik → ben.

  2. 2Vul het gat in.

    Mijn dochter _____ acht jaar.

    1. is
    2. bent
    3. zijn
    4. ben
    Toon antwoord

    Antwoord: A Mijn dochter is acht jaar.

    Eén persoon → is.

  3. 3Vul het gat in.

    Wij _____ uit Syrië.

    1. is
    2. zijn
    3. bent
    4. ben
    Toon antwoord

    Antwoord: B Wij zijn uit Syrië.

    wij → zijn.

  4. 4Verander de zin.

    Maak er een vraag van.

    Jij bent de nieuwe collega.

    1. Zijn jij de nieuwe collega?
    2. Ben jij de nieuwe collega?
    3. Bent jij de nieuwe collega?
    4. Jij bent de nieuwe collega?
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ben jij de nieuwe collega?

    Werkwoord vooraan, en de -t valt weg.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    De kinderen is op school.

    1. De kinderen ben op school.
    2. De kind zijn op school.
    3. De kinderen zijn op school.
    4. De kinderen bent op school.
    Toon antwoord

    Antwoord: C De kinderen zijn op school.

    Meervoud → zijn.

  6. 6Zet de woorden in de juiste volgorde.

    ziek Ik vandaag ben

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik ben vandaag ziek

    Het werkwoord staat op plaats twee.

  7. 7Vul het gat in.

    Wij _____ de nieuwe buren.

    1. zijn
    2. bent
    3. is
    4. ben
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij zijn de nieuwe buren.

    wij hoort bij zijn.

  8. 8Vul het gat in.

    _____ u de huisarts?

    1. Is
    2. Ben
    3. Zijn
    4. Bent
    Toon antwoord

    Antwoord: D Bent u de huisarts?

    u hoort bij bent, ook in een vraag.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Het kind is ziek.

    1. Het kind ben ziek.
    2. Het kind bent ziek.
    3. Het kind zijn ziek.
    4. Het kind is ziek.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Het kind is ziek.

    Eén kind → is.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. Ik ben te vroeg.
    2. Ik zijn te vroeg.
    3. Ik is te vroeg.
    4. Ik bent te vroeg.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik ben te vroeg.

    ik hoort bij ben.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen