Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

omdat, dat, als: het werkwoord naar achteren

A1 · Beginner Zinnen verbinden Vragen 10

De regel

Woorden als omdat, dat, als, of en toen beginnen een bijzin, en in een bijzin gaat het werkwoord naar het eind. Ik kom niet, want ik ben ziek heeft twee gewone zinnen; Ik kom niet omdat ik ziek ben heeft een bijzin, en daarom staat ben achteraan. Zijn er twee werkwoorden, dan gaan ze allebei naar achteren: ... omdat ik moet werken. Dit is de regel die het vaakst fout gaat, en juist deze zinnen wilt u kunnen zeggen.

Patroon

hoofdzin + OMDAT + onderwerp + rest + WERKWOORD

Voorbeelden

  1. Ik kom niet omdat ik ziek ben.

    ben staat achteraan

  2. Ik weet dat de winkel om negen uur opengaat.

    opengaat achteraan

  3. Als het regent, blijf ik thuis.

    na de bijzin komt het werkwoord meteen

  4. Ik bel u omdat ik een afspraak wil maken.

    twee werkwoorden, allebei achteraan

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik kom niet omdat ik ben ziek.

    Goed: Ik kom niet omdat ik ziek ben.

    Na omdat gaat het werkwoord naar het eind.

  • Fout: Ik denk dat het is goed.

    Goed: Ik denk dat het goed is.

    Ook na dat staat het werkwoord achteraan.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik kom niet omdat ik ziek ben.
    2. Ik kom niet omdat ziek ik ben.
    3. Ik kom niet omdat ik ben ziek.
    4. Ik kom niet omdat ben ik ziek.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik kom niet omdat ik ziek ben.

    Na omdat staat het werkwoord achteraan.

  2. 2Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik bel omdat ik een afspraak wil maken.
    2. Ik bel omdat wil ik een afspraak maken.
    3. Ik bel omdat ik een afspraak maken wil niet.
    4. Ik bel omdat ik wil een afspraak maken.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik bel omdat ik een afspraak wil maken.

    Twee werkwoorden gaan samen naar het eind.

  3. 3Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik weet de dokter dat vandaag vrij is.
    2. Ik weet dat is de dokter vandaag vrij.
    3. Ik weet dat de dokter vandaag vrij is.
    4. Ik weet dat de dokter is vandaag vrij.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik weet dat de dokter vandaag vrij is.

    Ook na dat gaat het werkwoord naar achteren.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Als u klaar bent, u kunt naar huis.
    2. Als u klaar bent, kunt u naar huis.
    3. Als u bent klaar, u kunt naar huis.
    4. Als bent u klaar, kunt u naar huis.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Als u klaar bent, kunt u naar huis.

    Begint de zin met als, dan komt het werkwoord van de hoofdzin er direct achter.

  5. 5Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Ik ga naar de dokter _____ ik hoofdpijn heb.

    1. als
    2. omdat
    3. dat
    4. want
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik ga naar de dokter omdat ik hoofdpijn heb.

    omdat geeft de reden.

  6. 6Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Ik hoop _____ het morgen droog blijft.

    1. dat
    2. omdat
    3. want
    4. als
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik hoop dat het morgen droog blijft.

    Na hopen komt dat.

  7. 7Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    _____ je tijd hebt, kun je even bellen?

    1. Want
    2. Dat
    3. Omdat
    4. Als
    Toon antwoord

    Antwoord: D Als je tijd hebt, kun je even bellen?

    als = een voorwaarde.

  8. 8Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik blijf thuis omdat ik ben moe.

    1. Ik blijf thuis omdat ik moe ben.
    2. Ik blijf thuis omdat moe ik ben.
    3. Ik blijf thuis want ik moe ben.
    4. Ik blijf thuis, omdat ben ik moe.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik blijf thuis omdat ik moe ben.

    ben hoort achteraan: omdat ik moe ben.

  9. 9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Zij zegt dat zij kan niet komen.

    1. Zij zegt dat zij komen niet kan.
    2. Zij zegt dat niet zij kan komen.
    3. Zij zegt zij dat niet kan komen.
    4. Zij zegt dat zij niet kan komen.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Zij zegt dat zij niet kan komen.

    Beide werkwoorden gaan naar het eind.

  10. 10Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Als het regent ik blijf thuis.

    1. Ik blijf thuis als het regent blijf ik.
    2. Als regent het, blijf ik thuis.
    3. Als het regent, ik blijf thuis.
    4. Als het regent, blijf ik thuis.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Als het regent, blijf ik thuis.

    Na de bijzin komt eerst het werkwoord van de hoofdzin.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen