Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Niet of geen, en waar het staat

A2 · Elementair Nee zeggen Vragen 10

De regel

Geen gebruikt u voor een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord of met een: "Ik heb geen tijd", "Dat is geen probleem". Niet gebruikt u in alle andere gevallen: bij een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, of bij een naamwoord met de, het, mijn of deze: "Ik ken de arts niet." Niet staat achter het lijdend voorwerp en achter de tijd, maar vóór een plaatsbepaling, een bijvoeglijk naamwoord en een tweede werkwoord.

Patroon

GEEN + naamwoord zonder lidwoord · … + NIET + plaats / adjectief / infinitief

Voorbeelden

  1. Ik heb vandaag geen tijd.

    geen voor een naamwoord zonder lidwoord

  2. Ik ken die mevrouw niet.

    niet bij een naamwoord met die

  3. Wij gaan vanavond niet naar het feest.

    niet voor de plaatsbepaling

  4. Het formulier is niet moeilijk.

    niet voor het bijvoeglijk naamwoord

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik heb niet tijd.

    Goed: Ik heb geen tijd.

    Een naamwoord zonder lidwoord krijgt geen.

  • Fout: Ik ga geen naar de les.

    Goed: Ik ga niet naar de les.

    Bij een werkwoord met een plaats gebruikt u niet.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik heb deze week _____ tijd om te komen.

    1. niets
    2. niet
    3. geen
    4. nee
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik heb deze week geen tijd om te komen.

    tijd staat zonder lidwoord: geen.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik begrijp deze brief _____.

    1. geen
    2. niets
    3. geen niet
    4. niet
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik begrijp deze brief niet.

    Bij een naamwoord met deze gebruikt u niet.

  3. 3Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Wij gaan morgen niet naar de markt.
    2. Wij gaan morgen naar de markt niet.
    3. Wij niet gaan morgen naar de markt.
    4. Wij gaan niet morgen naar de markt niet.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij gaan morgen niet naar de markt.

    niet staat voor de plaatsbepaling.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik ken uw collega niet.
    2. Ik ken niet uw collega.
    3. Ik niet ken uw collega.
    4. Ik ken uw niet collega.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik ken uw collega niet.

    niet staat achter het lijdend voorwerp.

  5. 5Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik kan niet vanmiddag komen niet.
    2. Ik kan vanmiddag niet komen.
    3. Ik kan vanmiddag komen niet.
    4. Ik niet kan vanmiddag komen.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik kan vanmiddag niet komen.

    niet staat voor de infinitief.

  6. 6Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Wij hebben niet een auto.

    1. Wij hebben geen auto.
    2. Wij niet hebben een auto.
    3. Wij hebben een auto niet geen.
    4. Wij hebben geen een auto.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij hebben geen auto.

    een auto wordt geen auto.

  7. 7Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Het antwoord is geen duidelijk voor mij.

    1. Het antwoord is duidelijk niet voor mij niet.
    2. Het antwoord niet is duidelijk voor mij.
    3. Het antwoord is niet duidelijk voor mij.
    4. Het antwoord is voor mij geen duidelijk.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Het antwoord is niet duidelijk voor mij.

    Bij een bijvoeglijk naamwoord gebruikt u niet.

  8. 8Kies de juiste zin.

    Kies het goede woord.

    Er zijn vandaag _____ afspraken meer vrij.

    1. geen
    2. niets
    3. nooit
    4. niet
    Toon antwoord

    Antwoord: A geen

    afspraken staat zonder lidwoord: geen.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik kom later omdat ik de bus haalde niet.
    2. Ik kom later omdat niet ik de bus haalde.
    3. Ik kom later omdat ik de bus niet haalde.
    4. Ik kom later omdat ik niet de bus haalde.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik kom later omdat ik de bus niet haalde.

    In een bijzin staat niet voor het werkwoord aan het eind.

  10. 10Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    heb Ik gehad geen tijd

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik heb geen tijd gehad

    geen voor het naamwoord, deelwoord achteraan.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen