Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Iemand, niemand, iets, niets, elk en alle

A2 · Elementair Verwijzen naar mensen en dingen Vragen 10

De regel

Voor mensen gebruikt u iemand en niemand, voor dingen iets en niets. Ze staan alleen en krijgen geen lidwoord: "Er is niemand thuis." "Ik heb niets gehoord." Wilt u er iets bij zeggen, dan komt het bijvoeglijk naamwoord erachter met -s: "iets moois", "niets nieuws". Elk en ieder gaan over de leden van een groep één voor één; alle en allemaal over de groep samen.

Patroon

IEMAND / NIEMAND (mensen) · IETS / NIETS (dingen) · iets + adjectief + S

Voorbeelden

  1. Er is vandaag niemand op kantoor.

    niemand: geen persoon

  2. Ik heb iets belangrijks te vragen.

    iets + bijvoeglijk naamwoord met -s

  3. Elk formulier moet ondertekend worden.

    elk: één voor één

  4. Alle bewoners kregen dezelfde brief.

    alle: de groep samen

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik heb niets nieuw gehoord.

    Goed: Ik heb niets nieuws gehoord.

    Na iets en niets komt -s.

  • Fout: Er is geen iemand thuis.

    Goed: Er is niemand thuis.

    niemand is al ontkennend.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Er heeft _____ voor u gebeld toen u weg was.

    1. iemand
    2. men iets
    3. niemand
    4. iets
    Toon antwoord

    Antwoord: A Er heeft iemand voor u gebeld toen u weg was.

    Een onbekende persoon: iemand.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik heb _____ gehoord over mijn aanvraag.

    1. niets
    2. niemand
    3. nooit iets niet
    4. geen iets
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik heb niets gehoord over mijn aanvraag.

    Geen ding: niets.

  3. 3Kies de juiste zin.

    Kies de goede vorm.

    Ik zoek iets _____ voor mijn moeder.

    1. moois
    2. mooi
    3. mooie
    4. mooier
    Toon antwoord

    Antwoord: A moois

    Na iets krijgt het bijvoeglijk naamwoord -s.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Kies het goede woord.

    _____ kind in de klas kreeg een boekje mee.

    1. Elk
    2. Elke
    3. Alle
    4. Allemaal
    Toon antwoord

    Antwoord: A Elk

    Eén voor één: elk.

  5. 5Kies de juiste zin.

    Kies het goede woord.

    _____ bewoners moeten de meterstanden doorgeven.

    1. Allemaal de
    2. Iedere
    3. Alle
    4. Elk
    Toon antwoord

    Antwoord: C Alle

    De groep samen, meervoud: alle.

  6. 6Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Er is geen iemand die mij kan helpen.

    1. Er is niemand die mij kan helpen.
    2. Er is niet iemand die mij kan helpen niet.
    3. Er is geen niemand die mij kan helpen.
    4. Er is niemand die kan mij helpen.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Er is niemand die mij kan helpen.

    niemand betekent al geen persoon.

  7. 7Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Hebt u iets nieuw gehoord van de gemeente?

    1. Hebt u iets nieuws gehoord van de gemeente?
    2. Hebt u nieuws iets gehoord van de gemeente?
    3. Hebt u iets nieuwe gehoord van de gemeente?
    4. Hebt u iets van nieuw gehoord van de gemeente?
    Toon antwoord

    Antwoord: A Hebt u iets nieuws gehoord van de gemeente?

    Na iets komt -s.

  8. 8Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. De allemaal kinderen zijn ziek geweest.
    2. De kinderen allemaal zijn ziek allemaal geweest.
    3. Allemaal de kinderen zijn ziek geweest.
    4. De kinderen zijn allemaal ziek geweest.
    Toon antwoord

    Antwoord: D De kinderen zijn allemaal ziek geweest.

    Allemaal staat achter het werkwoord, niet voor het naamwoord.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Alle iedereen krijgt volgende week een uitnodiging.
    2. Ieder een krijgt volgende week een uitnodiging.
    3. Iedereen krijgt volgende week een uitnodiging.
    4. Iedereen krijgen volgende week een uitnodiging.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Iedereen krijgt volgende week een uitnodiging.

    Iedereen is één woord en enkelvoud.

  10. 10Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    Er thuis is vandaag niemand

    Toon antwoord

    Antwoord: Er is vandaag niemand thuis

    er, werkwoord, tijd, onbepaald woord, plaats.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen