Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Een vraag in een zin: of en vraagwoorden

A2 · Elementair Vragen stellen Vragen 10

De regel

Wilt u beleefd vragen of iets navertellen, dan zet u de vraag in een bijzin. Een ja-nee-vraag begint dan met of: "Weet u of de bus rijdt?" Een vraag met een vraagwoord houdt dat woord: "Ik weet niet wanneer de brief komt." In allebei de gevallen staat het werkwoord aan het eind en draait u de volgorde niet om.

Patroon

Weet u OF / WAAR / WANNEER + … + WERKWOORD ?

Voorbeelden

  1. Weet u of de apotheek nog open is?

    ja-nee-vraag → of

  2. Ik weet niet hoeveel het kost.

    vraagwoord blijft staan

  3. Kunt u mij zeggen waar ik moet zijn?

    waar + werkwoord achteraan

  4. Zij vroeg wanneer ik terugkwam.

    een vraag navertellen

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Weet u waar is de balie?

    Goed: Weet u waar de balie is?

    In de bijzin staat het werkwoord achteraan.

  • Fout: Ik weet niet als de bus rijdt.

    Goed: Ik weet niet of de bus rijdt.

    Een ja-nee-vraag begint met of.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Weet u waar is de wachtkamer?
    2. Weet u waar de wachtkamer is?
    3. Weet u is de wachtkamer waar?
    4. Weet u waar de wachtkamer zijn?
    Toon antwoord

    Antwoord: B Weet u waar de wachtkamer is?

    Het werkwoord staat aan het eind van de bijzin.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik weet niet _____ de trein op tijd vertrekt.

    1. dat
    2. als
    3. wanneer of
    4. of
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik weet niet of de trein op tijd vertrekt.

    Een ja-nee-vraag: of.

  3. 3Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Kunt u mij zeggen het hoeveel kost?
    2. Kunt u zeggen mij hoeveel kost het?
    3. Kunt u mij zeggen hoeveel het kost?
    4. Kunt u mij zeggen hoeveel kost het?
    Toon antwoord

    Antwoord: C Kunt u mij zeggen hoeveel het kost?

    Het vraagwoord blijft staan en het werkwoord gaat naar achteren.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik vroeg of ik moest het formulier meenemen.
    2. Ik vroeg of moest ik het formulier meenemen.
    3. Ik vroeg of ik het formulier moest meenemen.
    4. Ik vroeg of ik het formulier meenemen moest te.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik vroeg of ik het formulier moest meenemen.

    Ook bij twee werkwoorden gaan ze allebei naar het eind.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Weet u wanneer komt de uitslag?

    1. Weet u wanneer de uitslag komen?
    2. Weet u komt wanneer de uitslag?
    3. Weet u de uitslag wanneer komt?
    4. Weet u wanneer de uitslag komt?
    Toon antwoord

    Antwoord: D Weet u wanneer de uitslag komt?

    In de bijzin komt het werkwoord achteraan.

  6. 6Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Zij vroeg mij als ik tijd had.

    1. Zij vroeg mij als had ik tijd.
    2. Zij vroeg mij of had ik tijd.
    3. Zij vroeg mij of ik tijd had.
    4. Zij mij vroeg of ik tijd had.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Zij vroeg mij of ik tijd had.

    Een ja-nee-vraag krijgt of, niet als.

  7. 7Kies de juiste zin.

    Kies het goede woord.

    Ik begrijp niet _____ ik dit formulier moet invullen.

    1. wat
    2. of dat
    3. welke
    4. hoe
    Toon antwoord

    Antwoord: D hoe

    Een vraag naar de manier: hoe.

  8. 8Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Zou u kunnen mij zeggen is dit de goede rij of?
    2. Zou u mij zeggen kunnen of dit de goede rij is?
    3. Zou u mij kunnen zeggen of is dit de goede rij?
    4. Zou u mij kunnen zeggen of dit de goede rij is?
    Toon antwoord

    Antwoord: D Zou u mij kunnen zeggen of dit de goede rij is?

    Een beleefde vraag gebruikt vaak een bijzin.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik weet niet wie vanmorgen gebeld mij heeft.
    2. Ik weet niet wie mij heeft vanmorgen gebeld.
    3. Ik weet niet wie heeft mij vanmorgen gebeld.
    4. Ik weet niet wie mij vanmorgen gebeld heeft.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik weet niet wie mij vanmorgen gebeld heeft.

    Ook een vraag met wie werkt zo.

  10. 10Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    u Weet de apotheek of is open

    Toon antwoord

    Antwoord: Weet u of de apotheek open is

    of opent de bijzin, is sluit hem af.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen