Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Werkwoorden met een vast voorzetsel

B1 · Middenniveau Plaats en richting Vragen 10

De regel

Sommige werkwoorden hebben een voorzetsel dat er altijd bij hoort, en er is geen regel voor: u leert ze per stuk. Denken aan, wachten op, zorgen voor, klagen over, vragen naar, twijfelen aan, rekenen op, reageren op, gaan over, horen bij, beginnen met, letten op, zoeken naar, praten met iemand over iets. Leer ze als één blok, met het voorzetsel erbij, want een verkeerd voorzetsel verandert soms de betekenis.

Patroon

werkwoord + VAST VOORZETSEL + wie/wat (er + voorzetsel als het ding al genoemd is)

Voorbeelden

  1. Ik wacht al drie weken op een antwoord.

    wachten op, nooit wachten voor.

  2. De brief gaat over de nieuwe huurprijs.

    gaan over = het onderwerp zijn.

  3. Ik heb geklaagd over de overlast.

    klagen over, niet klagen van.

  4. Kan ik op u rekenen?

    rekenen op = vertrouwen.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik wacht op drie weken een antwoord.

    Goed: Ik wacht al drie weken op een antwoord.

    Het voorzetsel hoort bij het antwoord, niet bij de tijd.

  • Fout: Ik heb geklaagd van de overlast.

    Goed: Ik heb geklaagd over de overlast.

    klagen heeft vast over.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul het goede voorzetsel in.

    Ik wacht al drie weken _____ een antwoord.

    1. aan
    2. voor
    3. op
    4. naar
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik wacht al drie weken op een antwoord.

    wachten op.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul het goede voorzetsel in.

    Ik heb geklaagd _____ de overlast.

    1. om
    2. voor
    3. over
    4. van
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik heb geklaagd over de overlast.

    klagen over.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul het goede voorzetsel in.

    Mijn buurvrouw zorgt _____ de planten als wij weg zijn.

    1. voor
    2. aan
    3. om
    4. op
    Toon antwoord

    Antwoord: A Mijn buurvrouw zorgt voor de planten als wij weg zijn.

    zorgen voor.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. De brief gaat op de nieuwe huurprijs.
    2. De brief gaat over de nieuwe huurprijs.
    3. De brief gaat aan de nieuwe huurprijs.
    4. De brief gaat van de nieuwe huurprijs.
    Toon antwoord

    Antwoord: B De brief gaat over de nieuwe huurprijs.

    gaan over betekent: dit is het onderwerp.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik denk vaak op mijn familie in Syrië.

    1. Ik denk vaak naar mijn familie in Syrië.
    2. Ik denk vaak over mijn familie in Syrië.
    3. Ik denk vaak voor mijn familie in Syrië.
    4. Ik denk vaak aan mijn familie in Syrië.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik denk vaak aan mijn familie in Syrië.

    denken aan iemand.

  6. 6Vul het gat in.

    Vul het goede voorzetsel in.

    Kan ik _____ u rekenen?

    1. op
    2. voor
    3. aan
    4. met
    Toon antwoord

    Antwoord: A Kan ik op u rekenen?

    rekenen op.

  7. 7Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik heb de brief gelezen en ik reageer er morgen op.
    2. Ik heb de brief gelezen en ik reageer morgen op het.
    3. Ik heb de brief gelezen en ik reageer op er morgen.
    4. Ik heb de brief gelezen en ik reageer morgen op.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik heb de brief gelezen en ik reageer er morgen op.

    Is het ding al genoemd, dan gebruikt u er + voorzetsel.

  8. 8Vul het gat in.

    Vul het goede voorzetsel in.

    Let _____ de uiterste datum op de brief.

    1. naar
    2. aan
    3. op
    4. voor
    Toon antwoord

    Antwoord: C Let op de uiterste datum op de brief.

    letten op.

  9. 9Vul het gat in.

    Vul het goede voorzetsel in.

    Ik wacht al drie weken _____ antwoord.

    1. aan
    2. op
    3. naar
    4. voor
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik wacht al drie weken op antwoord.

    Wachten op — vast.

  10. 10Vul het gat in.

    Vul het goede voorzetsel in.

    Zij zorgt _____ haar moeder.

    1. aan
    2. om
    3. over
    4. voor
    Toon antwoord

    Antwoord: D Zij zorgt voor haar moeder.

    Zorgen voor — vast.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen