Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Indirecte rede in het verleden: hij zei dat hij zou…

B2 · Gevorderd Zinnen verbinden Vragen 10

De regel

Rapporteert u wat iemand eerder zei, dan schuiven de tijden mee naar het verleden: "ik kom morgen" wordt hij zei dat hij de volgende dag zou komen; "ik heb het gedaan" wordt zij zei dat ze het gedaan had. Vragen zonder vraagwoord gaan met of: hij vroeg of de uitslag al binnen was. Ook verwijswoorden schuiven: morgen → de volgende dag, hier → daar. Dit is de grammatica van het verslag: wat gezegd is, in de tijd van het gesprek.

Patroon

zei/vroeg + DAT/OF + onderwerp + … + ZOU-HAD-WAS + werkwoord(en)

Voorbeelden

  1. De arts zei dat hij de uitslag de volgende dag zou bespreken.

    Toekomst → zou; morgen → de volgende dag.

  2. Zij gaf aan dat ze de medicatie al had ingenomen.

    Voltooid → had + deelwoord.

  3. De familie vroeg of het bezoek langer mocht blijven.

    Ja-neevraag → of.

  4. Hij verklaarde dat hij daar die avond niet geweest was.

    Hier en vanavond schuiven mee.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Hij zei dat hij komt morgen.

    Goed: Hij zei dat hij de volgende dag zou komen.

    Tijd én verwijswoord schuiven mee in het verslag.

  • Fout: Ze vroeg dat de uitslag al binnen was.

    Goed: Ze vroeg of de uitslag al binnen was.

    Een doorgegeven ja-neevraag draagt of, niet dat.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    De arts zei dat hij de uitslag de volgende dag _____ bespreken.

    1. wil
    2. zou
    3. zal
    4. heeft
    Toon antwoord

    Antwoord: B De arts zei dat hij de uitslag de volgende dag zou bespreken.

    Toekomst in een verslag uit het verleden: zou.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Zij gaf aan dat ze de medicatie al _____ ingenomen.

    1. is
    2. heeft
    3. had
    4. zou
    Toon antwoord

    Antwoord: C Zij gaf aan dat ze de medicatie al had ingenomen.

    Voltooid schuift door naar had + deelwoord.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul het goede verbindingswoord in.

    De familie vroeg _____ het bezoek een uur later mocht komen.

    1. of
    2. als
    3. wanneer
    4. dat
    Toon antwoord

    Antwoord: A De familie vroeg of het bezoek een uur later mocht komen.

    Een doorgegeven ja-neevraag draagt of.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Welke zin betekent hetzelfde?

    „Ik kom morgen langs,” zei de wijkverpleegkundige.

    1. De wijkverpleegkundige zei dat ze de volgende dag zou langskomen zijn.
    2. De wijkverpleegkundige vroeg of ze morgen langskwam.
    3. De wijkverpleegkundige zei dat ze de volgende dag zou langskomen.
    4. De wijkverpleegkundige zei dat ze morgen langskomt.
    Toon antwoord

    Antwoord: C De wijkverpleegkundige zei dat ze de volgende dag zou langskomen.

    Kom morgen wordt zou de volgende dag langskomen.

  5. 5Verander de zin.

    Vertel door wat hij zei.

    „Ik heb de val gemeld bij de teamleider.”

    1. Hij zei dat hij de val bij de teamleider had gemeld.
    2. Hij zei dat hij de val bij de teamleider heeft gemeld.
    3. Hij zei of hij de val bij de teamleider had gemeld.
    4. Hij zei dat hij had de val bij de teamleider gemeld.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Hij zei dat hij de val bij de teamleider had gemeld.

    Heb gemeld → had gemeld, en het werkwoord naar het eind.

  6. 6Verander de zin.

    Vertel door wat zij vroeg.

    „Is de uitslag al binnen?”

    1. Zij zei of de uitslag al binnen was.
    2. Zij vroeg dat de uitslag al binnen was.
    3. Zij vroeg of was de uitslag al binnen.
    4. Zij vroeg of de uitslag al binnen was.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Zij vroeg of de uitslag al binnen was.

    Vraag zonder vraagwoord: vroeg of …, werkwoord achteraan.

  7. 7Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Hij verklaarde dat hij was die avond niet op de afdeling geweest.

    1. Hij verklaarde dat hij die avond niet op de afdeling was geweest.
    2. Hij verklaarde dat was hij die avond niet op de afdeling geweest.
    3. Hij verklaarde dat hij die avond niet op de afdeling is geweest.
    4. Hij verklaarde of hij die avond niet op de afdeling was geweest.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Hij verklaarde dat hij die avond niet op de afdeling was geweest.

    In de bijzin schuift alles op: … was geweest, achteraan.

  8. 8Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    De teamleider vertelde dat er die week twee collega’s ziek _____.

    1. was
    2. worden
    3. waren
    4. zijn
    Toon antwoord

    Antwoord: C De teamleider vertelde dat er die week twee collega’s ziek waren.

    Verslag in het verleden en meervoud: waren.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Wat betekent deze zin?

    De cliënt zei dat hij daar de vorige avond niets van had gemerkt.

    1. „Ik merk daar morgen niets van.”
    2. „Hij heeft er gisteravond niets van gemerkt.”
    3. „Ik heb daar volgende week niets van gemerkt.”
    4. „Ik heb hier gisteravond niets van gemerkt.”
    Toon antwoord

    Antwoord: D „Ik heb hier gisteravond niets van gemerkt.”

    Daar en de vorige avond schuiven terug naar hier en gisteravond.

  10. 10Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Zij vroeg of de bestelling nog geannuleerd _____ worden.

    1. konden
    2. wordt
    3. kan
    4. kon
    Toon antwoord

    Antwoord: D Zij vroeg of de bestelling nog geannuleerd kon worden.

    Kan schuift in het verslag naar kon.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen