Indirecte rede in het verleden: hij zei dat hij zou…
De regel
Rapporteert u wat iemand eerder zei, dan schuiven de tijden mee naar het verleden: "ik kom morgen" wordt hij zei dat hij de volgende dag zou komen; "ik heb het gedaan" wordt zij zei dat ze het gedaan had. Vragen zonder vraagwoord gaan met of: hij vroeg of de uitslag al binnen was. Ook verwijswoorden schuiven: morgen → de volgende dag, hier → daar. Dit is de grammatica van het verslag: wat gezegd is, in de tijd van het gesprek.
zei/vroeg + DAT/OF + onderwerp + … + ZOU-HAD-WAS + werkwoord(en)
Voorbeelden
De arts zei dat hij de uitslag de volgende dag zou bespreken.
Toekomst → zou; morgen → de volgende dag.
Zij gaf aan dat ze de medicatie al had ingenomen.
Voltooid → had + deelwoord.
De familie vroeg of het bezoek langer mocht blijven.
Ja-neevraag → of.
Hij verklaarde dat hij daar die avond niet geweest was.
Hier en vanavond schuiven mee.
Veelgemaakte fouten
-
Fout: Hij zei dat hij komt morgen.
Goed: Hij zei dat hij de volgende dag zou komen.
Tijd én verwijswoord schuiven mee in het verslag.
-
Fout: Ze vroeg dat de uitslag al binnen was.
Goed: Ze vroeg of de uitslag al binnen was.
Een doorgegeven ja-neevraag draagt of, niet dat.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
De arts zei dat hij de uitslag de volgende dag _____ bespreken.
- wil
- zou
- zal
- heeft
Toon antwoord
Antwoord: B De arts zei dat hij de uitslag de volgende dag zou bespreken.
Toekomst in een verslag uit het verleden: zou.
-
2Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Zij gaf aan dat ze de medicatie al _____ ingenomen.
- is
- heeft
- had
- zou
Toon antwoord
Antwoord: C Zij gaf aan dat ze de medicatie al had ingenomen.
Voltooid schuift door naar had + deelwoord.
-
3Vul het gat in.
Vul het goede verbindingswoord in.
De familie vroeg _____ het bezoek een uur later mocht komen.
- of
- als
- wanneer
- dat
Toon antwoord
Antwoord: A De familie vroeg of het bezoek een uur later mocht komen.
Een doorgegeven ja-neevraag draagt of.
-
4Kies de juiste zin.
Welke zin betekent hetzelfde?
„Ik kom morgen langs,” zei de wijkverpleegkundige.
- De wijkverpleegkundige zei dat ze de volgende dag zou langskomen zijn.
- De wijkverpleegkundige vroeg of ze morgen langskwam.
- De wijkverpleegkundige zei dat ze de volgende dag zou langskomen.
- De wijkverpleegkundige zei dat ze morgen langskomt.
Toon antwoord
Antwoord: C De wijkverpleegkundige zei dat ze de volgende dag zou langskomen.
Kom morgen wordt zou de volgende dag langskomen.
-
5Verander de zin.
Vertel door wat hij zei.
„Ik heb de val gemeld bij de teamleider.”
- Hij zei dat hij de val bij de teamleider had gemeld.
- Hij zei dat hij de val bij de teamleider heeft gemeld.
- Hij zei of hij de val bij de teamleider had gemeld.
- Hij zei dat hij had de val bij de teamleider gemeld.
Toon antwoord
Antwoord: A Hij zei dat hij de val bij de teamleider had gemeld.
Heb gemeld → had gemeld, en het werkwoord naar het eind.
-
6Verander de zin.
Vertel door wat zij vroeg.
„Is de uitslag al binnen?”
- Zij zei of de uitslag al binnen was.
- Zij vroeg dat de uitslag al binnen was.
- Zij vroeg of was de uitslag al binnen.
- Zij vroeg of de uitslag al binnen was.
Toon antwoord
Antwoord: D Zij vroeg of de uitslag al binnen was.
Vraag zonder vraagwoord: vroeg of …, werkwoord achteraan.
-
7Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Hij verklaarde dat hij was die avond niet op de afdeling geweest.
- Hij verklaarde dat hij die avond niet op de afdeling was geweest.
- Hij verklaarde dat was hij die avond niet op de afdeling geweest.
- Hij verklaarde dat hij die avond niet op de afdeling is geweest.
- Hij verklaarde of hij die avond niet op de afdeling was geweest.
Toon antwoord
Antwoord: A Hij verklaarde dat hij die avond niet op de afdeling was geweest.
In de bijzin schuift alles op: … was geweest, achteraan.
-
8Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
De teamleider vertelde dat er die week twee collega’s ziek _____.
- was
- worden
- waren
- zijn
Toon antwoord
Antwoord: C De teamleider vertelde dat er die week twee collega’s ziek waren.
Verslag in het verleden en meervoud: waren.
-
9Kies de juiste zin.
Wat betekent deze zin?
De cliënt zei dat hij daar de vorige avond niets van had gemerkt.
- „Ik merk daar morgen niets van.”
- „Hij heeft er gisteravond niets van gemerkt.”
- „Ik heb daar volgende week niets van gemerkt.”
- „Ik heb hier gisteravond niets van gemerkt.”
Toon antwoord
Antwoord: D „Ik heb hier gisteravond niets van gemerkt.”
Daar en de vorige avond schuiven terug naar hier en gisteravond.
-
10Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Zij vroeg of de bestelling nog geannuleerd _____ worden.
- konden
- wordt
- kan
- kon
Toon antwoord
Antwoord: D Zij vroeg of de bestelling nog geannuleerd kon worden.
Kan schuift in het verslag naar kon.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen