I, you, he, she, we, they
De regel
Het Engels zegt altijd wie iets doet. Waar het Arabisch het onderwerp in het werkwoord kan laten, zet het Engels er een woord voor: I work, she works. Voor één ding dat geen persoon is, gebruikt u it — it is cold, it is nine o'clock.
I · you · he · she · it | we · you · they
Voorbeelden
I live in Rotterdam.
Ik woon in Rotterdam.
She is a nurse.
Zij is verpleegkundige.
It is cold today.
Het is koud vandaag. — it voor een ding
They are my neighbours.
Zij zijn mijn buren.
Veelgemaakte fouten
-
Fout: Is a nurse.
Goed: She is a nurse.
Het Engels heeft het onderwerp nodig. Een zin begint niet met het werkwoord.
-
Fout: He is my sister.
Goed: She is my sister.
he voor een man, she voor een vrouw.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Kies de juiste zin.
- She is my sister.
- They is my sister.
- He is my sister.
- It is my sister.
Toon antwoord
Antwoord: A She is my sister.
Eén vrouw → she.
-
2Kies de juiste zin.
- She are my children.
- It are my children.
- They are my children.
- He are my children.
Toon antwoord
Antwoord: C They are my children.
Meer dan één persoon → they.
-
3Kies de juiste zin.
- They is nine o'clock.
- It is nine o'clock.
- Is nine o'clock.
- He is nine o'clock.
Toon antwoord
Antwoord: B It is nine o'clock.
Het weer, de tijd en een ding nemen it.
-
4Kies de juiste zin.
- Our live in this street.
- Us live in this street.
- We live in this street.
- He live in this street.
Toon antwoord
Antwoord: C We live in this street.
U en nog iemand → we.
-
5Vul het gat in.
_____ am from Syria.
- They
- I
- He
- We
Toon antwoord
Antwoord: B I am from Syria.
Over uzelf → I, altijd met een hoofdletter.
-
6Vul het gat in.
My brother is a driver. _____ works at night.
- It
- He
- They
- She
Toon antwoord
Antwoord: B My brother is a driver. He works at night.
Eén man die al genoemd is → he.
-
7Vul het gat in.
My parents are in Cairo. _____ are seventy.
- We
- It
- He
- They
Toon antwoord
Antwoord: D My parents are in Cairo. They are seventy.
Twee personen → they.
-
8Vul het gat in.
Where is my bag? _____ is under the chair.
- He
- They
- It
- She
Toon antwoord
Antwoord: C Where is my bag? It is under the chair.
Een tas is een ding → it.
-
9Zet de woorden in de juiste volgorde.
She is my teacher
Toon antwoord
Antwoord: She is my teacher.
Onderwerp, dan be, dan de rest.
-
10Zet de woorden in de juiste volgorde.
We have two children
Toon antwoord
Antwoord: We have two children.
Altijd eerst het onderwerp.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen