Time, manner, place in one sentence
Tijd, manier, plaats in één zin
The rule
If one sentence holds a time, a manner and a place, the Dutch order is almost always time — manner — place: "Ik ga morgen met de bus naar Amsterdam." If you put the time first, the verb comes straight after it: "Morgen ga ik met de bus naar Amsterdam." The rest of the sentence keeps the same order.
onderwerp + WERKWOORD + TIJD + MANIER + PLAATS
Examples
Ik ga morgen met de fiets naar mijn werk.
Tomorrow I go to work by bike.
Morgen ga ik met de fiets naar mijn werk.
Tomorrow I go to work by bike.
Wij zijn gisteren met de auto naar de kust gereden.
Yesterday we drove to the coast by car.
Zij komt om zes uur rechtstreeks uit haar werk.
She comes straight from work at six.
Common mistakes
-
Wrong: Ik ga naar Amsterdam morgen met de bus.
Right: Ik ga morgen met de bus naar Amsterdam.
The place comes last.
-
Wrong: Morgen ik ga met de bus.
Right: Morgen ga ik met de bus.
The verb stays in second position.
Practice questions
Try each one yourself first, then open “Show answer” for the solution and the reason.
-
1Choose the correct sentence.
- Ik ga met de trein zaterdag naar Utrecht.
- Ik ga zaterdag met de trein naar Utrecht.
- Ik ga naar Utrecht met de trein zaterdag.
- Ik ga naar Utrecht zaterdag met de trein.
Show answer
Answer: B Ik ga zaterdag met de trein naar Utrecht.
Time, then manner, then place.
-
2Choose the correct sentence.
- Vanavond eten wij bij mijn schoonmoeder.
- Vanavond wij eten bij mijn schoonmoeder.
- Vanavond bij mijn schoonmoeder eten wij.
- Vanavond eten bij mijn schoonmoeder wij.
Show answer
Answer: A Vanavond eten wij bij mijn schoonmoeder.
With the time in front the verb stays second.
-
3Choose the correct sentence.
- Wij zijn gisteren met de auto naar de kust gereden.
- Wij gisteren zijn met de auto naar de kust gereden.
- Wij zijn gisteren gereden met de auto naar de kust.
- Wij zijn gereden gisteren met de auto naar de kust.
Show answer
Answer: A Wij zijn gisteren met de auto naar de kust gereden.
The second verb stays at the end.
-
4This sentence is wrong. Choose the fix.
This sentence is wrong. Choose the correct one.
Ik breng mijn zoon naar school elke ochtend met de fiets.
- Ik breng mijn zoon elke ochtend met de fiets naar school.
- Ik breng elke ochtend mijn zoon naar school met de fiets.
- Elke ochtend ik breng mijn zoon met de fiets naar school.
- Ik breng met de fiets elke ochtend mijn zoon naar school.
Show answer
Answer: A Ik breng mijn zoon elke ochtend met de fiets naar school.
Put time and manner before the place.
-
5This sentence is wrong. Choose the fix.
This sentence is wrong. Choose the correct one.
Volgende week wij gaan naar de gemeente.
- Volgende week naar de gemeente gaan wij.
- Volgende week gaan naar de gemeente wij.
- Wij volgende week gaan naar de gemeente.
- Volgende week gaan wij naar de gemeente.
Show answer
Answer: D Volgende week gaan wij naar de gemeente.
The verb belongs right after volgende week.
-
6Choose the correct sentence.
- Als ik klaar ben, ik ga meteen naar huis.
- Als ik ben klaar, ga ik meteen naar huis.
- Als ik klaar ben, naar huis ga ik meteen.
- Als ik klaar ben, ga ik meteen naar huis.
Show answer
Answer: D Als ik klaar ben, ga ik meteen naar huis.
Even with a clause first, the main verb stays second.
-
7Choose the correct sentence.
- Ik werk in een verzorgingshuis sinds januari drie dagen.
- In een verzorgingshuis ik werk sinds januari drie dagen.
- Ik werk drie dagen in een verzorgingshuis sinds januari.
- Ik werk sinds januari drie dagen in een verzorgingshuis.
Show answer
Answer: D Ik werk sinds januari drie dagen in een verzorgingshuis.
A long place phrase still comes last.
-
8Choose the correct sentence.
- Zij belt even straks naar de apotheek.
- Zij belt naar de apotheek straks even.
- Naar de apotheek zij belt straks even.
- Zij belt straks even naar de apotheek.
Show answer
Answer: D Zij belt straks even naar de apotheek.
Not every sentence has all three, but the order stays.
-
9This sentence is wrong. Choose the fix.
This sentence is wrong. Choose the correct one.
Wij hebben in het park gisteren gewandeld.
- Wij hebben gewandeld gisteren in het park.
- Wij hebben gisteren in het park gewandeld.
- Gisteren wij hebben in het park gewandeld.
- Wij gisteren hebben in het park gewandeld.
Show answer
Answer: B Wij hebben gisteren in het park gewandeld.
The time comes before the place.
-
10Put the words in the right order.
Ik de met ga morgen bus stad naar de
Show answer
Answer: Ik ga morgen met de bus naar de stad
Time, manner, place.
Practise this lesson in Zorg Space
In the app every rule becomes interactive practice: instant correction, reviews at the moment you are about to forget, and progress you can see from level to level — free.
Start for free