Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Tijd, manier, plaats in één zin

A2 · Elementair De zin bouwen Vragen 10

De regel

Staan er in één zin een tijd, een manier en een plaats, dan is de volgorde in het Nederlands bijna altijd tijd — manier — plaats: "Ik ga morgen met de bus naar Amsterdam." Zet u de tijd vooraan, dan komt het werkwoord meteen daarna: "Morgen ga ik met de bus naar Amsterdam." De rest van de zin blijft in dezelfde volgorde staan.

Patroon

onderwerp + WERKWOORD + TIJD + MANIER + PLAATS

Voorbeelden

  1. Ik ga morgen met de fiets naar mijn werk.

    tijd, manier, plaats

  2. Morgen ga ik met de fiets naar mijn werk.

    tijd vooraan, werkwoord meteen daarna

  3. Wij zijn gisteren met de auto naar de kust gereden.

    ook met twee werkwoorden

  4. Zij komt om zes uur rechtstreeks uit haar werk.

    tijd, manier, plaats

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik ga naar Amsterdam morgen met de bus.

    Goed: Ik ga morgen met de bus naar Amsterdam.

    De plaats staat het laatst.

  • Fout: Morgen ik ga met de bus.

    Goed: Morgen ga ik met de bus.

    Het werkwoord blijft op plaats twee.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik ga met de trein zaterdag naar Utrecht.
    2. Ik ga zaterdag met de trein naar Utrecht.
    3. Ik ga naar Utrecht met de trein zaterdag.
    4. Ik ga naar Utrecht zaterdag met de trein.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik ga zaterdag met de trein naar Utrecht.

    Tijd, dan manier, dan plaats.

  2. 2Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Vanavond eten wij bij mijn schoonmoeder.
    2. Vanavond wij eten bij mijn schoonmoeder.
    3. Vanavond bij mijn schoonmoeder eten wij.
    4. Vanavond eten bij mijn schoonmoeder wij.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Vanavond eten wij bij mijn schoonmoeder.

    Met de tijd vooraan blijft het werkwoord op plaats twee.

  3. 3Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Wij zijn gisteren met de auto naar de kust gereden.
    2. Wij gisteren zijn met de auto naar de kust gereden.
    3. Wij zijn gisteren gereden met de auto naar de kust.
    4. Wij zijn gereden gisteren met de auto naar de kust.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij zijn gisteren met de auto naar de kust gereden.

    Het tweede werkwoord blijft achteraan.

  4. 4Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik breng mijn zoon naar school elke ochtend met de fiets.

    1. Ik breng mijn zoon elke ochtend met de fiets naar school.
    2. Ik breng elke ochtend mijn zoon naar school met de fiets.
    3. Elke ochtend ik breng mijn zoon met de fiets naar school.
    4. Ik breng met de fiets elke ochtend mijn zoon naar school.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik breng mijn zoon elke ochtend met de fiets naar school.

    Zet tijd en manier voor de plaats.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Volgende week wij gaan naar de gemeente.

    1. Volgende week naar de gemeente gaan wij.
    2. Volgende week gaan naar de gemeente wij.
    3. Wij volgende week gaan naar de gemeente.
    4. Volgende week gaan wij naar de gemeente.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Volgende week gaan wij naar de gemeente.

    Het werkwoord hoort direct achter volgende week.

  6. 6Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Als ik klaar ben, ik ga meteen naar huis.
    2. Als ik ben klaar, ga ik meteen naar huis.
    3. Als ik klaar ben, naar huis ga ik meteen.
    4. Als ik klaar ben, ga ik meteen naar huis.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Als ik klaar ben, ga ik meteen naar huis.

    Ook met een bijzin blijft de hoofdzin op plaats twee.

  7. 7Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik werk in een verzorgingshuis sinds januari drie dagen.
    2. In een verzorgingshuis ik werk sinds januari drie dagen.
    3. Ik werk drie dagen in een verzorgingshuis sinds januari.
    4. Ik werk sinds januari drie dagen in een verzorgingshuis.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik werk sinds januari drie dagen in een verzorgingshuis.

    Een lange plaatsbepaling staat nog steeds achteraan.

  8. 8Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Zij belt even straks naar de apotheek.
    2. Zij belt naar de apotheek straks even.
    3. Naar de apotheek zij belt straks even.
    4. Zij belt straks even naar de apotheek.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Zij belt straks even naar de apotheek.

    Niet elke zin heeft alle drie, maar de volgorde blijft.

  9. 9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Wij hebben in het park gisteren gewandeld.

    1. Wij hebben gewandeld gisteren in het park.
    2. Wij hebben gisteren in het park gewandeld.
    3. Gisteren wij hebben in het park gewandeld.
    4. Wij gisteren hebben in het park gewandeld.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Wij hebben gisteren in het park gewandeld.

    De tijd staat voor de plaats.

  10. 10Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    Ik de met ga morgen bus stad naar de

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik ga morgen met de bus naar de stad

    Tijd, manier, plaats.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen