Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Voorzetsels

A0 · Start Plaats en richting Vragen 10

De regel

Kleine woorden die zeggen waar iets is of waar het heen gaat: in, op, naar, bij, met, van, voor, uit, aan, over. Twee ervan verwart bijna iedereen: naar zegt waar u HEEN gaat (Ik ga naar de dokter), bij zegt waar u BENT (Ik ben bij de dokter). En let op: met de bus, met de trein — het vervoermiddel krijgt altijd met.

Patroon

naar de dokter (richting) · bij de dokter (plaats) · met de bus

Voorbeelden

  1. Ik woon in Rotterdam.

    plaats

  2. Ik ga naar het station.

    richting

  3. Ik ben bij de tandarts.

    plaats

  4. Ik kom met de bus.

    vervoermiddel → met

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik ga bij de dokter.

    Goed: Ik ga naar de dokter.

    gaan is beweging, dus naar.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Ik ga morgen _____ de huisarts.

    1. bij
    2. naar
    3. op
    4. in
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik ga morgen naar de huisarts.

    gaan → richting → naar.

  2. 2Vul het gat in.

    Ik zit nu _____ de wachtkamer.

    1. op
    2. in
    3. uit
    4. naar
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik zit nu in de wachtkamer.

    Binnen een ruimte → in.

  3. 3Vul het gat in.

    Ik kom _____ de trein.

    1. met
    2. op
    3. in
    4. bij
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik kom met de trein.

    Vervoermiddel → met.

  4. 4Vul het gat in.

    Ik kom _____ Syrië.

    1. in
    2. van
    3. naar
    4. uit
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik kom uit Syrië.

    Herkomst → uit.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    De sleutel ligt in de tafel.

    1. De sleutel ligt bij in de tafel.
    2. De sleutel ligt uit de tafel.
    3. De sleutel ligt naar de tafel.
    4. De sleutel ligt op de tafel.
    Toon antwoord

    Antwoord: D De sleutel ligt op de tafel.

    Op een oppervlak → op.

  6. 6Zet de woorden in de juiste volgorde.

    de Ik bus kom met

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik kom met de bus

    Het voorzetsel staat vóór het naamwoord.

  7. 7Vul het gat in.

    Ik werk _____ de zorg.

    1. aan
    2. op
    3. in
    4. bij
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik werk in de zorg.

    Een sector krijgt in.

  8. 8Vul het gat in.

    Mijn dochter zit _____ school.

    1. in
    2. naar
    3. aan
    4. op
    Toon antwoord

    Antwoord: D Mijn dochter zit op school.

    Op school zitten krijgt op.

  9. 9Kies de juiste zin.

    1. Ik wacht aan het station.
    2. Ik wacht in het station.
    3. Ik wacht bij station.
    4. Ik wacht op het station.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik wacht op het station.

    Een station krijgt op.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. De apotheek is naast de winkel.
    2. De apotheek is naast van de winkel.
    3. De apotheek is naast winkel.
    4. De apotheek naast de winkel is.
    Toon antwoord

    Antwoord: A De apotheek is naast de winkel.

    naast heeft geen van nodig.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen