Voorzetsels
De regel
Kleine woorden die zeggen waar iets is of waar het heen gaat: in, op, naar, bij, met, van, voor, uit, aan, over. Twee ervan verwart bijna iedereen: naar zegt waar u HEEN gaat (Ik ga naar de dokter), bij zegt waar u BENT (Ik ben bij de dokter). En let op: met de bus, met de trein — het vervoermiddel krijgt altijd met.
naar de dokter (richting) · bij de dokter (plaats) · met de bus
Voorbeelden
Ik woon in Rotterdam.
plaats
Ik ga naar het station.
richting
Ik ben bij de tandarts.
plaats
Ik kom met de bus.
vervoermiddel → met
Veelgemaakte fouten
-
Fout: Ik ga bij de dokter.
Goed: Ik ga naar de dokter.
gaan is beweging, dus naar.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
Ik ga morgen _____ de huisarts.
- bij
- naar
- op
- in
Toon antwoord
Antwoord: B Ik ga morgen naar de huisarts.
gaan → richting → naar.
-
2Vul het gat in.
Ik zit nu _____ de wachtkamer.
- op
- in
- uit
- naar
Toon antwoord
Antwoord: B Ik zit nu in de wachtkamer.
Binnen een ruimte → in.
-
3Vul het gat in.
Ik kom _____ de trein.
- met
- op
- in
- bij
Toon antwoord
Antwoord: A Ik kom met de trein.
Vervoermiddel → met.
-
4Vul het gat in.
Ik kom _____ Syrië.
- in
- van
- naar
- uit
Toon antwoord
Antwoord: D Ik kom uit Syrië.
Herkomst → uit.
-
5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
De sleutel ligt in de tafel.
- De sleutel ligt bij in de tafel.
- De sleutel ligt uit de tafel.
- De sleutel ligt naar de tafel.
- De sleutel ligt op de tafel.
Toon antwoord
Antwoord: D De sleutel ligt op de tafel.
Op een oppervlak → op.
-
6Zet de woorden in de juiste volgorde.
de Ik bus kom met
Toon antwoord
Antwoord: Ik kom met de bus
Het voorzetsel staat vóór het naamwoord.
-
7Vul het gat in.
Ik werk _____ de zorg.
- aan
- op
- in
- bij
Toon antwoord
Antwoord: C Ik werk in de zorg.
Een sector krijgt in.
-
8Vul het gat in.
Mijn dochter zit _____ school.
- in
- naar
- aan
- op
Toon antwoord
Antwoord: D Mijn dochter zit op school.
Op school zitten krijgt op.
-
9Kies de juiste zin.
- Ik wacht aan het station.
- Ik wacht in het station.
- Ik wacht bij station.
- Ik wacht op het station.
Toon antwoord
Antwoord: D Ik wacht op het station.
Een station krijgt op.
-
10Kies de juiste zin.
- De apotheek is naast de winkel.
- De apotheek is naast van de winkel.
- De apotheek is naast winkel.
- De apotheek naast de winkel is.
Toon antwoord
Antwoord: A De apotheek is naast de winkel.
naast heeft geen van nodig.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen