Het verkleinwoord: -je
De regel
Het Nederlands zet heel vaak -je achter een zelfstandig naamwoord: een kopje koffie, een momentje, een broodje, een kaartje. Het betekent klein, maar veel vaker maakt het de zin gewoon vriendelijker of gebruikelijker — een kopje koffie is niet kleiner dan een kop koffie, het is alleen wat men zegt. Elk verkleinwoord is het-woord, ook als het gewone woord de krijgt: de stoel wordt het stoeltje. Na sommige klanken wordt de uitgang -tje, -pje of -etje: het autootje, het boompje, het mannetje.
de stoel → HET stoelTJE een kop → een kopJE
Voorbeelden
Wilt u een kopje koffie?
gebruikelijker dan een kop koffie
Een momentje, alstublieft.
zachter dan: een moment
Ik heb een kaartje gekocht.
kaart → kaartje
Het stoeltje staat in de hoek.
de stoel → het stoeltje
Veelgemaakte fouten
-
Fout: de kopje
Goed: het kopje
Elk verkleinwoord krijgt het.
-
Fout: een kleine momentje
Goed: een momentje
Het verkleinwoord zegt al dat het kort is.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Wilt u _____ kopje thee?
- die
- het een
- de
- een
Toon antwoord
Antwoord: D Wilt u een kopje thee?
kopje is een het-woord, dus een kopje.
-
2Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
_____ kaartje kost drie euro.
- Die
- De
- Een de
- Het
Toon antwoord
Antwoord: D Het kaartje kost drie euro.
Verkleinwoorden krijgen het.
-
3Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Ik neem een _____ met kaas. (brood)
- broodetje
- broodtje
- broodje
- broodjes
Toon antwoord
Antwoord: C Ik neem een broodje met kaas. (brood)
brood → broodje.
-
4Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
_____, ik kijk het even na. (moment)
- Het momenten
- Een momentje
- Een momenttje
- Een momentetje
Toon antwoord
Antwoord: B Een momentje, ik kijk het even na. (moment)
moment → momentje.
-
5Kies de juiste zin.
Kies de goede vorm.
Er staat een klein _____ voor het raam. (tafel)
- tafelpje
- tafelje
- tafeletje
- tafeltje
Toon antwoord
Antwoord: D tafeltje
Na l komt -tje: tafeltje.
-
6Kies de juiste zin.
Kies de goede vorm.
In de tuin staat een _____. (boom)
- boompje
- boomje
- boometje
- boomtje
Toon antwoord
Antwoord: A boompje
Na m komt -pje: boompje.
-
7Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Ik heb twee kaartjes gekocht.
- Ik heb twee kaartjen gekocht.
- Ik heb twee kaartjees gekocht.
- Ik heb twee kaartje gekocht.
Toon antwoord
Antwoord: A Ik heb twee kaartjes gekocht.
Ook in het meervoud blijft het verkleinwoord: -jes.
-
8Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
De kopje staat op tafel.
- Het kopje staat op tafel.
- Een de kopje staat op tafel.
- De kopjes staat op tafel.
- Het kopje staan op tafel.
Toon antwoord
Antwoord: A Het kopje staat op tafel.
Verkleinwoord → het.
-
9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Wilt u een kop koffie of een kleine kopje?
- Wilt u de kop koffie of de kopje?
- Wilt u een kopje koffie of een kleine kop kopje?
- Wilt u een kleine kop of een kleine kopje?
- Wilt u een kop koffie of een kopje?
Toon antwoord
Antwoord: D Wilt u een kop koffie of een kopje?
Een verkleinwoord heeft geen klein ernaast nodig.
-
10Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Heeft u een momentje voor mij?
- Heeft u een momenten voor mij?
- Heeft u een klein moment tje voor mij?
- Heeft u de momentje voor mij?
Toon antwoord
Antwoord: A Heeft u een momentje voor mij?
Het verkleinwoord maakt een vraag vriendelijker.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen