Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

De bijzin met die en dat

A2 · Elementair Zinnen verbinden Vragen 10

De regel

Met die en dat hangt u een hele zin achter een zelfstandig naamwoord: "de man die naast mij woont", "het formulier dat ik gisteren kreeg". U kiest die bij een de-woord en bij alle meervouden, en dat bij een het-woord. Het werkwoord van die bijzin gaat naar het eind. Na een voorzetsel gebruikt u waar-: "de brief waarover ik belde".

Patroon

de … DIE + … + WERKWOORD · het … DAT + … + WERKWOORD

Voorbeelden

  1. De vrouw die naast ons woont, is verpleegkundige.

    de-woord → die

  2. Het pakket dat gisteren kwam, was beschadigd.

    het-woord → dat

  3. De papieren die u nodig hebt, staan in de brief.

    meervoud → die

  4. De afspraak waarover ik belde, is verzet.

    na een voorzetsel: waarover

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Het formulier die ik kreeg.

    Goed: Het formulier dat ik kreeg.

    Bij een het-woord hoort dat.

  • Fout: De man die woont naast mij.

    Goed: De man die naast mij woont.

    Het werkwoord van de bijzin staat achteraan.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    De collega _____ mij hielp, is vandaag vrij.

    1. welke dat
    2. dat
    3. die
    4. wat
    Toon antwoord

    Antwoord: C De collega die mij hielp, is vandaag vrij.

    collega is een de-woord: die.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Het boek _____ ik leen, is van de bibliotheek.

    1. wie
    2. die
    3. dat
    4. waar
    Toon antwoord

    Antwoord: C Het boek dat ik leen, is van de bibliotheek.

    boek is een het-woord: dat.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    De kinderen _____ hier spelen, wonen in dit gebouw.

    1. wat
    2. welk
    3. dat
    4. die
    Toon antwoord

    Antwoord: D De kinderen die hier spelen, wonen in dit gebouw.

    Meervoud krijgt altijd die.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. De bus dat om acht uur vertrekt, is meestal vol.
    2. De bus die vertrekt om acht uur, is meestal vol.
    3. De bus die om acht uur vertrekt, is meestal vol.
    4. De bus welke om acht uur vertrekt, is meestal vol.
    Toon antwoord

    Antwoord: C De bus die om acht uur vertrekt, is meestal vol.

    Het werkwoord staat aan het eind van de bijzin.

  5. 5Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Dat is de brief die over ik u sprak.
    2. Dat is de brief waarover ik u sprak.
    3. Dat is de brief over die ik u sprak.
    4. Dat is de brief waarover sprak ik u.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Dat is de brief waarover ik u sprak.

    Na een voorzetsel gebruikt u waar- plus dat voorzetsel.

  6. 6Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Het huis die wij huren is te klein.

    1. Het huis wat wij huren is te klein.
    2. Het huis die huren wij is te klein.
    3. Het huis dat huren wij is te klein.
    4. Het huis dat wij huren is te klein.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Het huis dat wij huren is te klein.

    huis is een het-woord: dat.

  7. 7Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    De arts die heeft mij geholpen was heel vriendelijk.

    1. De arts dat mij geholpen heeft was heel vriendelijk.
    2. De arts die geholpen mij heeft was heel vriendelijk.
    3. De arts die mij geholpen heeft was heel vriendelijk.
    4. De arts die mij heeft geholpen was heel vriendelijk wel.
    Toon antwoord

    Antwoord: C De arts die mij geholpen heeft was heel vriendelijk.

    Beide werkwoorden gaan naar het eind van de bijzin.

  8. 8Kies de juiste zin.

    Kies het goede woord.

    Het formulier _____ u nodig hebt, ligt bij de balie.

    1. dat
    2. die
    3. welke
    4. wie
    Toon antwoord

    Antwoord: A dat

    formulier is een het-woord.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Dat is de collega met wie ik samenwerk.
    2. Dat is de collega met die ik samenwerk.
    3. Dat is de collega waarmee samenwerk ik.
    4. Dat is de collega met wie samenwerk ik.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Dat is de collega met wie ik samenwerk.

    Bij personen na een voorzetsel kan ook met wie.

  10. 10Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    De kwam brief die gisteren is belangrijk

    Toon antwoord

    Antwoord: De brief die gisteren kwam is belangrijk

    De bijzin staat tussen het naamwoord en de rest.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen