Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Vier soorten er

B1 · Middenniveau Verwijzen naar mensen en dingen Vragen 10

De regel

Er doet vier dingen. Plaats: Ik ben er al geweest (= daar). Aantal: Hoeveel wil je er? (= van die dingen). Voorlopig onderwerp: Er staat iemand voor de deur. En bij een voorzetsel: Ik heb er geen tijd voor (= voor dat). Nederlanders laten er zelden weg, en juist daarom klinkt een zin zonder er direct vreemd. Leer per soort één voorbeeldzin uit uw hoofd.

Patroon

ER = daar · van die · voorlopig onderwerp · er + VOORZETSEL

Voorbeelden

  1. Ik ben er gisteren al geweest.

    Plaats: er = daar.

  2. Hoeveel formulieren heeft u er nodig?

    Aantal: er hoort bij hoeveel.

  3. Er staat iemand voor de deur.

    Voorlopig onderwerp bij iets onbepaalds.

  4. Ik heb er nog geen antwoord op gekregen.

    Bij een voorzetsel: er … op.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik heb geen tijd voor.

    Goed: Ik heb er geen tijd voor.

    Een voorzetsel zonder woord erbij krijgt er.

  • Fout: Staat iemand voor de deur.

    Goed: Er staat iemand voor de deur.

    Bij een onbepaald onderwerp begint u met er.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    Welke soort er is dit?

    Er staat iemand voor de deur.

    1. Voorlopig onderwerp.
    2. Plaats: er betekent daar.
    3. Aantal: er hoort bij een getal.
    4. Er hoort bij een voorzetsel.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Voorlopig onderwerp.

    Iemand is onbepaald, dus er is voorlopig onderwerp.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Ik heb _____ nog geen antwoord op gekregen.

    1. er
    2. het
    3. hem
    4. daar het
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik heb er nog geen antwoord op gekregen.

    Bij het losse voorzetsel op hoort er.

  3. 3Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik heb geen tijd voor.

    1. Ik heb geen tijd ervoor het.
    2. Ik heb geen tijd voor er.
    3. Ik heb er geen tijd voor.
    4. Ik heb daar geen tijd.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik heb er geen tijd voor.

    Zonder er blijft voor in de lucht hangen.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    Hoeveel kopieën wilt u?

    1. Ik heb er drie er nodig.
    2. Ik heb er drie nodig.
    3. Ik heb daar drie nodig.
    4. Ik heb drie nodig.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik heb er drie nodig.

    Bij een aantal hoort er.

  5. 5Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    Er wordt volgende week aan de weg gewerkt

    Toon antwoord

    Antwoord: Er wordt volgende week aan de weg gewerkt

    Er vooraan, deelwoord achteraan.

  6. 6Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Bent u al bij het loket geweest? Ja, ik ben _____ vanochtend geweest.

    1. daarheen er
    2. het
    3. hem
    4. er
    Toon antwoord

    Antwoord: D Bent u al bij het loket geweest? Ja, ik ben er vanochtend geweest.

    Plaats: er vervangt bij het loket.

  7. 7Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik weet niet of ik tijd voor heb er.
    2. Ik weet niet of ik heb er tijd voor.
    3. Ik weet niet of er ik tijd voor heb.
    4. Ik weet niet of ik er tijd voor heb.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik weet niet of ik er tijd voor heb.

    In een bijzin blijft er meteen na het onderwerp staan.

  8. 8Verander de zin.

    Vervang het onderstreepte deel door er.

    Ik denk nog na over uw voorstel.

    1. Ik denk nog na er over.
    2. Ik denk er nog over na.
    3. Ik denk nog over er na.
    4. Ik denk er nog na over.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik denk er nog over na.

    over uw voorstel wordt er … over.

  9. 9Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Hoeveel formulieren heeft u nodig? Ik heb _____ twee nodig.

    1. daar
    2. ze
    3. er
    4. die
    Toon antwoord

    Antwoord: C Hoeveel formulieren heeft u nodig? Ik heb er twee nodig.

    Er bij een aantal: er twee.

  10. 10Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    _____ staat iemand voor de deur.

    1. Daar
    2. Er
    3. Die
    4. Het
    Toon antwoord

    Antwoord: B Er staat iemand voor de deur.

    Er als voorlopig onderwerp opent de zin.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen