Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

waarmee, waarover, waarvan: naar dingen verwijzen

B1 · Middenniveau Verwijzen naar mensen en dingen Vragen 10

De regel

Voor mensen zegt u met wie, over wie. Voor dingen plakt u waar aan het voorzetsel: het formulier waarmee u dit aanvraagt, de brief waarover ik belde, de regel waarvan ik uitging. Zo houdt u lange zinnen netjes bij elkaar in plaats van ze te knippen. In spreektaal mag waar los staan: de brief waar ik over belde. Beide zijn goed; in een formele brief staat de vaste vorm beter.

Patroon

ding + WAAR + VOORZETSEL + onderwerp + … + WERKWOORD

Voorbeelden

  1. Dit is het formulier waarmee u huurtoeslag aanvraagt.

    met + waar → waarmee.

  2. De brief waarover ik belde, is van 3 juni.

    over + waar → waarover.

  3. De regeling waarvan ik uitging, is veranderd.

    van + waar → waarvan.

  4. De collega met wie ik samenwerk, is er niet.

    Een mens krijgt met wie, niet waarmee.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: De collega waarmee ik samenwerk.

    Goed: De collega met wie ik samenwerk.

    Voor mensen gebruikt u wie.

  • Fout: De brief waarover ik belde is van 3 juni geweest.

    Goed: De brief waarover ik belde, is van 3 juni.

    De bijzin staat tussen komma's; de hoofdzin loopt daarna door.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Dit is het formulier _____ u huurtoeslag aanvraagt.

    1. dat mee
    2. waarvan
    3. waarmee
    4. met wie
    Toon antwoord

    Antwoord: C Dit is het formulier waarmee u huurtoeslag aanvraagt.

    met + waar → waarmee.

  2. 2Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. De collega met wie ik samenwerk, is vandaag vrij.
    2. De collega waarvan ik samenwerk, is vandaag vrij.
    3. De collega waarmee ik samenwerk, is vandaag vrij.
    4. De collega die mee ik samenwerk, is vandaag vrij.
    Toon antwoord

    Antwoord: A De collega met wie ik samenwerk, is vandaag vrij.

    Mensen krijgen met wie.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    De brief _____ ik gisteren belde, is van 3 juni.

    1. waarover
    2. waarmee
    3. over wie
    4. waarin
    Toon antwoord

    Antwoord: A De brief waarover ik gisteren belde, is van 3 juni.

    bellen over iets → waarover.

  4. 4Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    De regeling waarvan ik uitging is veranderd

    Toon antwoord

    Antwoord: De regeling waarvan ik uitging is veranderd

    Bijzin met uitging achteraan, dan is veranderd.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Het gesprek waarin wij het over hadden, was gisteren.

    1. Het gesprek over wie wij het hadden, was gisteren.
    2. Het gesprek waarover wij het hadden, was gisteren.
    3. Het gesprek waarmee wij het hadden, was gisteren.
    4. Het gesprek waarvan wij het over hadden, was gisteren.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Het gesprek waarover wij het hadden, was gisteren.

    het over hebben → waarover, niet waarin.

  6. 6Kies de juiste zin.

    Welke zin past in een formele brief?

    1. Ik verwijs naar de regeling waarmee mijn aanvraag op is gebaseerd.
    2. Ik verwijs naar de regeling waar mijn aanvraag op is gebaseerd.
    3. Ik verwijs naar de regeling die mijn aanvraag op is gebaseerd.
    4. Ik verwijs naar de regeling waarop mijn aanvraag is gebaseerd.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik verwijs naar de regeling waarop mijn aanvraag is gebaseerd.

    In formeel schrijven staat waar vast aan het voorzetsel.

  7. 7Verander de zin.

    Maak er één zin van.

    Ik heb een pasje. Daarmee kom ik het gebouw in.

    1. Ik heb een pasje waarmee kom ik het gebouw in.
    2. Ik heb een pasje met wie ik het gebouw in kom.
    3. Ik heb een pasje daarmee ik het gebouw in kom.
    4. Ik heb een pasje waarmee ik het gebouw in kom.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik heb een pasje waarmee ik het gebouw in kom.

    daarmee wordt waarmee in de bijzin.

  8. 8Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Dat is de map _____ alle bewijsstukken zitten.

    1. waarmee
    2. in wie
    3. waarover
    4. waarin
    Toon antwoord

    Antwoord: D Dat is de map waarin alle bewijsstukken zitten.

    in + waar → waarin.

  9. 9Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Dit is het formulier _____ u de toeslag aanvraagt.

    1. waarvan
    2. met wie
    3. waarmee
    4. waarover
    Toon antwoord

    Antwoord: C Dit is het formulier waarmee u de toeslag aanvraagt.

    Aanvragen met iets → waarmee.

  10. 10Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Dat is de brief _____ ik gisteren belde.

    1. waarvan
    2. waarmee
    3. waarover
    4. over wie
    Toon antwoord

    Antwoord: C Dat is de brief waarover ik gisteren belde.

    Bellen over iets → waarover.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen