Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Betrekkelijke bijzinnen: die, dat, wat en wie

B2 · Gevorderd Verwijzen naar mensen en dingen Vragen 10

De regel

De bijzin die een naamwoord inkleurt begint met die (de- woorden en meervoud) of dat (het-woorden): het rapport dat u vroeg. Wat verwijst naar iets zonder vaste vorm: alles, iets, niets, een overtreffende trap, of een hele zin: hij kwam te laat, wat niemand verbaasde. Wie draagt personen na een voorzetsel en aan het begin: wie dit leest, tekent ervoor. Het werkwoord van de bijzin gaat naar het eind — ook als de bijzin midden in de hoofdzin hangt.

Patroon

naamwoord + DIE/DAT/WAT/(voorzetsel+)WIE + … + WERKWOORD

Voorbeelden

  1. Het formulier dat u hebt ingestuurd, is onvolledig.

    Het-woord → dat; werkwoord achteraan.

  2. De maatregelen die vorig jaar zijn ingevoerd, werken.

    Meervoud → die.

  3. De uitslag kwam pas vrijdag, wat de planning verstoorde.

    Wat verwijst naar de hele zin.

  4. Wie de overdracht leest, moet erop kunnen vertrouwen.

    Wie vooraan: iedereen die.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Het advies die de commissie gaf, is overgenomen.

    Goed: Het advies dat de commissie gaf, is overgenomen.

    Het advies is een het-woord: dat.

  • Fout: Dat is alles dat wij kunnen doen.

    Goed: Dat is alles wat wij kunnen doen.

    Na alles, iets en niets volgt wat.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Het formulier _____ u hebt ingestuurd, is onvolledig.

    1. die
    2. wie
    3. wat
    4. dat
    Toon antwoord

    Antwoord: D Het formulier dat u hebt ingestuurd, is onvolledig.

    Het formulier is een het-woord: dat.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    De maatregelen _____ vorig jaar zijn ingevoerd, werken goed.

    1. dat
    2. die
    3. wie
    4. wat
    Toon antwoord

    Antwoord: B De maatregelen die vorig jaar zijn ingevoerd, werken goed.

    Meervoud → die.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Dat is alles _____ wij op dit moment kunnen doen.

    1. wie
    2. dat
    3. wat
    4. die
    Toon antwoord

    Antwoord: C Dat is alles wat wij op dit moment kunnen doen.

    Na alles volgt wat.

  4. 4Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    De uitslag kwam pas vrijdag, _____ de planning verstoorde.

    1. die
    2. dat
    3. wat
    4. wie
    Toon antwoord

    Antwoord: C De uitslag kwam pas vrijdag, wat de planning verstoorde.

    Wat verwijst hier naar de hele zin ervoor.

  5. 5Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    _____ dit leest, moet erop kunnen vertrouwen dat het klopt.

    1. Wie
    2. Dat
    3. Die
    4. Wat
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wie dit leest, moet erop kunnen vertrouwen dat het klopt.

    Wie vooraan = iedereen die.

  6. 6Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    De collega _____ het rooster maakt, is met verlof.

    1. die
    2. wie
    3. wat
    4. dat
    Toon antwoord

    Antwoord: A De collega die het rooster maakt, is met verlof.

    De collega is een de-woord: die.

  7. 7Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Het advies die de commissie gaf, is overgenomen.

    1. Het advies dat gaf de commissie, is overgenomen.
    2. Het advies dat de commissie gaf, is overgenomen.
    3. Het advies die de commissie gaf is, overgenomen.
    4. Het advies wat de commissie gaf, is overgenomen.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Het advies dat de commissie gaf, is overgenomen.

    Het advies: dat, en het werkwoord achteraan in de bijzin.

  8. 8Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. De cliënt die is vanmiddag opgenomen, heeft een eigen kamer.
    2. De cliënt die vanmiddag opgenomen, heeft een eigen kamer.
    3. De cliënt die vanmiddag is opgenomen, heeft een eigen kamer.
    4. De cliënt vanmiddag die is opgenomen, heeft een eigen kamer.
    Toon antwoord

    Antwoord: C De cliënt die vanmiddag is opgenomen, heeft een eigen kamer.

    In de bijzin schuift het werkwoord naar achteren.

  9. 9Verander de zin.

    Maak er één zin van met een betrekkelijke bijzin.

    Wij bespreken het rapport. Het rapport verscheen gisteren.

    1. Wij bespreken het rapport dat verscheen gisteren.
    2. Wij bespreken het rapport dat gisteren verscheen.
    3. Wij bespreken het rapport wat gisteren verscheen.
    4. Wij bespreken het rapport die gisteren verscheen.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Wij bespreken het rapport dat gisteren verscheen.

    Het rapport → dat, met verscheen achteraan.

  10. 10Verander de zin.

    Maak er één zin van met een betrekkelijke bijzin.

    De verpleegkundige belde. Zij had de nachtdienst.

    1. De verpleegkundige die de nachtdienst had, belde.
    2. De verpleegkundige die had de nachtdienst, belde.
    3. De verpleegkundige wie de nachtdienst had, belde.
    4. De verpleegkundige dat de nachtdienst had, belde.
    Toon antwoord

    Antwoord: A De verpleegkundige die de nachtdienst had, belde.

    De-woord → die, en had gaat naar het eind.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen