Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Vertellen wat iemand zei: dat en of

B1 · Middenniveau De zin bouwen Vragen 10

De regel

U hoeft niet letterlijk te herhalen wat iemand zei. Met dat vertelt u een mededeling door: Hij zegt dat de monteur morgen komt. Met of vertelt u een ja-nee-vraag door: Ze vraagt of ik thuis ben. In beide gevallen is het een bijzin, dus het werkwoord schuift naar achteren. Vergeet niet de persoon aan te passen: ik wordt hij, mijn wordt zijn.

Patroon

… ZEGT / VRAAGT + DAT / OF + onderwerp + … + WERKWOORD

Voorbeelden

  1. Hij zegt dat de monteur morgen komt.

    Mededeling → dat, komt achteraan.

  2. Ze vraagt of ik thuis ben.

    Ja-nee-vraag → of, ben achteraan.

  3. De gemeente laat weten dat de aanvraag is ontvangen.

    Ook met een lijdende bijzin.

  4. Mijn buurman zei dat hij het niet had gehoord.

    Persoon aangepast: ik → hij.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Hij zegt dat komt de monteur morgen.

    Goed: Hij zegt dat de monteur morgen komt.

    Na dat gaat het werkwoord naar het eind.

  • Fout: Ze vraagt dat ik thuis ben.

    Goed: Ze vraagt of ik thuis ben.

    Een ja-nee-vraag krijgt of, geen dat.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    De monteur komt morgen. Wat zegt hij?

    1. Hij zegt dat komt de monteur morgen.
    2. Hij zegt dat de monteur komt morgen.
    3. Hij zegt of de monteur morgen komt.
    4. Hij zegt dat de monteur morgen komt.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Hij zegt dat de monteur morgen komt.

    Mededeling → dat, werkwoord achteraan.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Ze vraagt _____ ik thuis ben.

    1. dat
    2. wat
    3. als
    4. of
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ze vraagt of ik thuis ben.

    Ja-nee-vraag → of.

  3. 3Verander de zin.

    Vertel door wat hij zegt.

    Hij zegt: "Ik heb de brief niet gekregen."

    1. Hij zegt dat hij de brief niet heeft gekregen.
    2. Hij zegt dat heeft hij de brief niet gekregen.
    3. Hij zegt dat ik de brief niet heb gekregen.
    4. Hij zegt of hij de brief niet heeft gekregen.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Hij zegt dat hij de brief niet heeft gekregen.

    ik wordt hij, en gekregen schuift naar achteren.

  4. 4Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    De gemeente laat weten dat de aanvraag is ontvangen

    Toon antwoord

    Antwoord: De gemeente laat weten dat de aanvraag is ontvangen

    Na dat: onderwerp, dan is ontvangen.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Mijn buurman zei dat hij had het niet gehoord.

    1. Mijn buurman zei dat hij het niet had gehoord.
    2. Mijn buurman zei of hij het niet had gehoord.
    3. Mijn buurman zei dat had hij het niet gehoord.
    4. Mijn buurman zei dat hij het niet gehoord had worden.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Mijn buurman zei dat hij het niet had gehoord.

    In de bijzin staan de werkwoorden samen achteraan.

  6. 6Verander de zin.

    Vertel door wat ze vraagt.

    Ze vraagt: "Werkt u op maandag?"

    1. Ze vraagt of ik werk op maandag.
    2. Ze vraagt dat ik op maandag werk.
    3. Ze vraagt of ik op maandag werk.
    4. Ze vraagt of werk ik op maandag.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ze vraagt of ik op maandag werk.

    Ja-nee-vraag → of, werkwoord achteraan.

  7. 7Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    De verhuurder zegt dat hij de reparatie deze week _____.

    1. inplant
    2. te inplannen
    3. in plant
    4. plant in
    Toon antwoord

    Antwoord: A De verhuurder zegt dat hij de reparatie deze week inplant.

    inplant staat helemaal achteraan.

  8. 8Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik hoorde dat de bus rijdt voorlopig niet.
    2. Ik hoorde of de bus voorlopig niet rijdt.
    3. Ik hoorde dat de bus voorlopig niet rijdt.
    4. Ik hoorde dat rijdt de bus voorlopig niet.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik hoorde dat de bus voorlopig niet rijdt.

    Na dat gaan beide werkwoorden naar het eind.

  9. 9Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Hij zegt _____ de monteur morgen komt.

    1. als
    2. wat
    3. dat
    4. of
    Toon antwoord

    Antwoord: C Hij zegt dat de monteur morgen komt.

    Een mededeling doorgeven → dat.

  10. 10Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Ze vraagt _____ ik donderdag thuis ben.

    1. wanneer
    2. dat
    3. of
    4. als
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ze vraagt of ik donderdag thuis ben.

    Een ja-neevraag doorgeven → of.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen