Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Tijd, manier, plaats in langere zinnen

B1 · Middenniveau De zin bouwen Vragen 10

De regel

De volgorde tijd – manier – plaats kent u al. Op B1 komen er meer delen bij, en dan gelden er twee dingen. Wat bekend is, staat vooraan; wat nieuw is, staat achteraan. En niet staat vlak vóór het deel dat u ontkent, maar altijd vóór de plaatsbepaling. Ik ga morgen met de bus naar de gemeente is de basis; daar kunt u alles omheen bouwen.

Patroon

onderwerp + werkwoord + TIJD + MANIER + PLAATS + rest van het werkwoord

Voorbeelden

  1. Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.

    tijd – manier – plaats.

  2. Ik heb het formulier gisteren persoonlijk bij het loket afgegeven.

    Vier delen, dezelfde volgorde.

  3. Ik ben vandaag niet naar het werk gegaan.

    niet staat vóór de plaats.

  4. Morgen ga ik met de bus naar de gemeente.

    Tijd vooraan → werkwoord en onderwerp wisselen.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik ga naar de gemeente morgen met de bus.

    Goed: Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.

    De plaats staat achter de tijd en de manier.

  • Fout: Ik ben vandaag naar het werk niet gegaan.

    Goed: Ik ben vandaag niet naar het werk gegaan.

    niet staat vóór de plaatsbepaling.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik ga met de bus morgen naar de gemeente.
    2. Ik ga morgen naar de gemeente met de bus toe.
    3. Ik ga naar de gemeente morgen met de bus.
    4. Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.

    tijd – manier – plaats.

  2. 2Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    Ik heb het formulier gisteren persoonlijk bij het loket afgegeven

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik heb het formulier gisteren persoonlijk bij het loket afgegeven

    Bekend eerst, dan tijd, manier, plaats, deelwoord.

  3. 3Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik ben vandaag naar het werk niet gegaan.

    1. Niet ik ben vandaag naar het werk gegaan.
    2. Ik ben vandaag niet naar het werk gegaan.
    3. Ik ben niet vandaag naar het werk gegaan.
    4. Ik ben vandaag naar het werk gegaan niet.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik ben vandaag niet naar het werk gegaan.

    niet staat vóór de plaatsbepaling.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    U begint met de tijd.

    1. Morgen met de bus ik ga naar de gemeente.
    2. Morgen ga ik met de bus naar de gemeente.
    3. Morgen ik ga met de bus naar de gemeente.
    4. Morgen ga met de bus ik naar de gemeente.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Morgen ga ik met de bus naar de gemeente.

    Staat de tijd vooraan, dan komt het werkwoord vóór het onderwerp.

  5. 5Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    Wij hebben de sleutels vorige week al bij de makelaar ingeleverd

    Toon antwoord

    Antwoord: Wij hebben de sleutels vorige week al bij de makelaar ingeleverd

    Bekend, tijd, plaats, deelwoord achteraan.

  6. 6Vul het gat in.

    Waar hoort niet te staan?

    Ik werk _____ op zaterdag _____ in het centrum _____.

    1. op de derde plaats
    2. helemaal vooraan de zin
    3. op de eerste plaats
    4. op de tweede plaats
    Toon antwoord

    Antwoord: D op de tweede plaats

    niet komt vóór de plaatsbepaling in het centrum.

  7. 7Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ze hebben vanochtend afgegeven het pakket bij de buren.
    2. Ze hebben bij de buren het pakket vanochtend afgegeven.
    3. Ze hebben het pakket vanochtend bij de buren afgegeven.
    4. Ze hebben het pakket bij de buren vanochtend afgegeven worden.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ze hebben het pakket vanochtend bij de buren afgegeven.

    Wat al bekend is (het pakket) staat vooraan; nieuw staat achteraan.

  8. 8Verander de zin.

    Begin de zin met de tijdsbepaling.

    Ik heb dat gesprek vorige week telefonisch gevoerd.

    1. Vorige week heb ik dat gesprek telefonisch gevoerd.
    2. Vorige week telefonisch heb ik dat gesprek gevoerd.
    3. Vorige week heb dat gesprek ik telefonisch gevoerd.
    4. Vorige week ik heb dat gesprek telefonisch gevoerd.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Vorige week heb ik dat gesprek telefonisch gevoerd.

    Tijd vooraan → werkwoord, dan onderwerp.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik ga naar de gemeente morgen met de bus.
    2. Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.
    3. Ik ga morgen naar de gemeente met de bus.
    4. Ik ga met de bus morgen naar de gemeente.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.

    Tijd, dan manier, dan plaats.

  10. 10Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Zij heeft telefonisch vorige week bezwaar gemaakt.
    2. Zij heeft vorige week telefonisch bezwaar gemaakt.
    3. Zij heeft vorige week bezwaar telefonisch gemaakt.
    4. Zij heeft bezwaar vorige week telefonisch gemaakt.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Zij heeft vorige week telefonisch bezwaar gemaakt.

    Vorige week is tijd en gaat voor telefonisch.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen