Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Scheidbare werkwoorden in een bijzin

B1 · Middenniveau De zin bouwen Vragen 10

De regel

In een hoofdzin valt het voorzetsel weg naar achteren: Ik lever het formulier morgen in. In een bijzin schuift het werkwoord terug en plakt het weer aan elkaar: … dat ik het formulier morgen inlever. Met te ertussen blijft het los: om het formulier in te leveren. En in de voltooide tijd zit ge- in het midden: ingeleverd. Deze drie plaatsen zijn de hele regel.

Patroon

hoofdzin: … + IN · bijzin: … + INLEVERT · te: IN TE LEVEREN · voltooid: INGELEVERD

Voorbeelden

  1. Ik lever het formulier morgen in.

    Hoofdzin: in gaat naar achteren.

  2. Hij zegt dat hij het formulier morgen inlevert.

    Bijzin: weer aan elkaar.

  3. Ik kom langs om het formulier in te leveren.

    Met te: in te leveren.

  4. Het formulier is gisteren ingeleverd.

    Voltooid: ge- in het midden.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Hij zegt dat hij het formulier morgen levert in.

    Goed: Hij zegt dat hij het formulier morgen inlevert.

    In de bijzin plakt het weer vast.

  • Fout: Ik kom langs om het formulier te inleveren.

    Goed: Ik kom langs om het formulier in te leveren.

    te staat tussen de twee delen.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Hij zegt dat hij het formulier morgen inlevert.
    2. Hij zegt dat hij in het formulier morgen levert.
    3. Hij zegt dat inlevert hij het formulier morgen.
    4. Hij zegt dat hij het formulier morgen levert in.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Hij zegt dat hij het formulier morgen inlevert.

    In de bijzin plakken de delen weer aan elkaar.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik kom langs om de sleutel _____ _____ _____.

    1. te afgeven
    2. afgeven te
    3. af geven te
    4. af te geven
    Toon antwoord

    Antwoord: D af te geven

    af te geven: te tussen de delen.

  3. 3Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    Ik weet niet of de bus om zes uur vertrekt

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik weet niet of de bus om zes uur vertrekt

    Na of: onderwerp, tijd, werkwoord.

  4. 4Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik hoorde dat de gemeente de regeling af schaft.

    1. Ik hoorde dat de gemeente de regeling schaft af.
    2. Ik hoorde dat de gemeente schaft de regeling af.
    3. Ik hoorde dat de gemeente de regeling afschaft.
    4. Ik hoorde dat af de gemeente de regeling schaft.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik hoorde dat de gemeente de regeling afschaft.

    In de bijzin is het één woord: afschaft.

  5. 5Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Het formulier is gisteren _____.

    1. geïnleverd
    2. inleverd
    3. ingeleverd
    4. in geleverd
    Toon antwoord

    Antwoord: C Het formulier is gisteren ingeleverd.

    Voltooid deelwoord: ingeleverd.

  6. 6Verander de zin.

    Zet om in een bijzin met dat.

    De monteur belt vooraf op.

    1. Ze zeggen dat de monteur vooraf belt op.
    2. Ze zeggen dat op de monteur vooraf belt.
    3. Ze zeggen dat de monteur vooraf opbelt.
    4. Ze zeggen dat de monteur op vooraf belt.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ze zeggen dat de monteur vooraf opbelt.

    opbelt wordt weer één woord.

  7. 7Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik denk dat ik het abonnement wil opzeggen.
    2. Ik denk dat ik het abonnement opzeggen wil te.
    3. Ik denk dat ik het abonnement op wil zeggen worden.
    4. Ik denk dat ik wil het abonnement opzeggen.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik denk dat ik het abonnement wil opzeggen.

    Met een modaal blijft het werkwoord heel en achteraan.

  8. 8Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Zij vraagt of ik de meterstand alvast _____.

    1. geef door
    2. doorgeef
    3. door geef
    4. te doorgeven
    Toon antwoord

    Antwoord: B Zij vraagt of ik de meterstand alvast doorgeef.

    Bijzin: doorgeef, aan elkaar.

  9. 9Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik weet niet of ik het formulier vandaag nog _____.

    1. lever in
    2. inlever
    3. in lever
    4. inleveren
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik weet niet of ik het formulier vandaag nog inlever.

    In de bijzin groeit inleveren weer aan elkaar.

  10. 10Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Zij zei dat ze de meterstand morgen _____.

    1. doorgeeft
    2. geeft door
    3. doorgeven
    4. door geeft
    Toon antwoord

    Antwoord: A Zij zei dat ze de meterstand morgen doorgeeft.

    Doorgeeft, aaneen, aan het eind van de bijzin.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen