Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

de of het

A0 · Start Verwijzen naar mensen en dingen Vragen 10

De regel

Het Nederlands heeft twee bepaalde lidwoorden: de en het. Ongeveer twee derde van de woorden krijgt de. Er is geen regel die altijd werkt, dus leer het lidwoord samen met het woord. Drie groepen zijn wel voorspelbaar: elk meervoud krijgt de, elk verkleinwoord op -je krijgt het, en talen krijgen het.

Patroon

de man · de vrouw · het huis · het kind | de huizen · de kinderen

Voorbeelden

  1. de man

    de-woord

  2. het huis

    het-woord

  3. het meisje

    Verkleinwoord op -je, dus het.

  4. de kinderen

    Elk meervoud krijgt de.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: het man

    Goed: de man

    man is een de-woord.

  • Fout: de kind

    Goed: het kind

    kind is een het-woord, maar het meervoud de kinderen krijgt de.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    _____ huis is groot.

    1. Het
    2. De
    Toon antwoord

    Antwoord: A Het huis is groot.

    huis is een het-woord.

  2. 2Vul het gat in.

    _____ vrouw werkt in het ziekenhuis.

    1. De
    2. Het
    Toon antwoord

    Antwoord: A De vrouw werkt in het ziekenhuis.

    vrouw is een de-woord.

  3. 3Vul het gat in.

    _____ kinderen spelen buiten.

    1. De
    2. Het
    Toon antwoord

    Antwoord: A De kinderen spelen buiten.

    Elk meervoud krijgt de.

  4. 4Vul het gat in.

    _____ broodje is lekker.

    1. De
    2. Het
    Toon antwoord

    Antwoord: B Het broodje is lekker.

    Verkleinwoord op -je, dus het.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Ik zoek de station.

    1. Ik zoek een de station.
    2. Ik zoek de stations.
    3. Ik zoek het station.
    4. Ik zoek het stations.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik zoek het station.

    station is een het-woord.

  6. 6Kies de juiste zin.

    Welke rij klopt helemaal?

    1. de boek · het kind · de man
    2. het boek · de kind · het man
    3. het boek · het kind · de man
    4. de boek · de kind · de man
    Toon antwoord

    Antwoord: C het boek · het kind · de man

    boek en kind zijn het-woorden, man is een de-woord.

  7. 7Vul het gat in.

    Waar is _____ wachtkamer?

    1. der
    2. een
    3. het
    4. de
    Toon antwoord

    Antwoord: D Waar is de wachtkamer?

    de wachtkamer.

  8. 8Vul het gat in.

    _____ formulier ligt op de balie.

    1. De
    2. Het
    3. Een
    4. Der
    Toon antwoord

    Antwoord: B Het formulier ligt op de balie.

    het formulier.

  9. 9Kies de juiste zin.

    1. Het broden is vers.
    2. Het brood is vers.
    3. Een het brood is vers.
    4. De brood is vers.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Het brood is vers.

    het brood.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. Een huur is te hoog.
    2. De huur is te hoog.
    3. Het huur is te hoog.
    4. De huren is te hoog.
    Toon antwoord

    Antwoord: B De huur is te hoog.

    de huur.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen