deze, dit, die, dat
De regel
Om te wijzen gebruikt het Nederlands vier woorden. Dichtbij: deze bij een de-woord, dit bij een het-woord. Verder weg: die bij een de-woord, dat bij een het-woord. U moet dus weten of het woord de of het krijgt — daarom hoort dit punt bij de of het.
deze man · dit huis | die man · dat huis
Voorbeelden
Deze bus gaat naar het centrum.
de bus → deze
Dit formulier is voor u.
het formulier → dit
Die man werkt hier.
de man → die
Dat huis is te duur.
het huis → dat
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
_____ trein vertrekt om acht uur.
- Dat
- Dit
- Deze
Toon antwoord
Antwoord: C Deze trein vertrekt om acht uur.
de trein, dichtbij, dus deze.
-
2Vul het gat in.
_____ kind is ziek.
- Die
- Dit
- Deze
Toon antwoord
Antwoord: B Dit kind is ziek.
het kind, dichtbij, dus dit.
-
3Vul het gat in.
_____ boek daar is van mij.
- Deze
- Dat
- Die
Toon antwoord
Antwoord: B Dat boek daar is van mij.
het boek, verder weg, dus dat.
-
4Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Dit bus gaat naar het station.
- Die bus gaan naar het station.
- Dat bus gaat naar het station.
- Dit bussen gaat naar het station.
- Deze bus gaat naar het station.
Toon antwoord
Antwoord: D Deze bus gaat naar het station.
bus is een de-woord, dus deze.
-
5Kies de juiste zin.
Welk paar klopt?
- deze brief · deze adres
- dit brief · deze adres
- deze brief · dit adres
- dat brief · die adres
Toon antwoord
Antwoord: C deze brief · dit adres
de brief → deze, het adres → dit.
-
6Zet de woorden in de juiste volgorde.
is Deze voor u brief
Toon antwoord
Antwoord: Deze brief is voor u
Aanwijzend woord, dan het zelfstandig naamwoord.
-
7Vul het gat in.
_____ brief begrijp ik niet.
- Dat
- Deze
- Die
- Dit
Toon antwoord
Antwoord: B Deze brief begrijp ik niet.
de brief en hij is hier → deze.
-
8Vul het gat in.
_____ medicijn helpt niet.
- Deze
- Dezen
- Dit
- Die
Toon antwoord
Antwoord: C Dit medicijn helpt niet.
het medicijn en het is hier → dit.
-
9Kies de juiste zin.
U wijst naar een bus verderop.
- Dat bus gaat naar het centrum.
- Die bus gaat naar het centrum.
- Deze bus gaat naar het centrum daar.
- Dit bus gaat naar het centrum.
Toon antwoord
Antwoord: B Die bus gaat naar het centrum.
de bus en hij is daar → die.
-
10Kies de juiste zin.
- Dit formulier is voor u daar.
- Die formulier is voor u.
- Dat formulier is voor u.
- Deze formulier is voor u.
Toon antwoord
Antwoord: C Dat formulier is voor u.
het formulier en het is daar → dat.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen