Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

deze, dit, die, dat

A0 · Start Verwijzen naar mensen en dingen Vragen 10

De regel

Om te wijzen gebruikt het Nederlands vier woorden. Dichtbij: deze bij een de-woord, dit bij een het-woord. Verder weg: die bij een de-woord, dat bij een het-woord. U moet dus weten of het woord de of het krijgt — daarom hoort dit punt bij de of het.

Patroon

deze man · dit huis | die man · dat huis

Voorbeelden

  1. Deze bus gaat naar het centrum.

    de bus → deze

  2. Dit formulier is voor u.

    het formulier → dit

  3. Die man werkt hier.

    de man → die

  4. Dat huis is te duur.

    het huis → dat

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    _____ trein vertrekt om acht uur.

    1. Dat
    2. Dit
    3. Deze
    Toon antwoord

    Antwoord: C Deze trein vertrekt om acht uur.

    de trein, dichtbij, dus deze.

  2. 2Vul het gat in.

    _____ kind is ziek.

    1. Die
    2. Dit
    3. Deze
    Toon antwoord

    Antwoord: B Dit kind is ziek.

    het kind, dichtbij, dus dit.

  3. 3Vul het gat in.

    _____ boek daar is van mij.

    1. Deze
    2. Dat
    3. Die
    Toon antwoord

    Antwoord: B Dat boek daar is van mij.

    het boek, verder weg, dus dat.

  4. 4Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Dit bus gaat naar het station.

    1. Die bus gaan naar het station.
    2. Dat bus gaat naar het station.
    3. Dit bussen gaat naar het station.
    4. Deze bus gaat naar het station.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Deze bus gaat naar het station.

    bus is een de-woord, dus deze.

  5. 5Kies de juiste zin.

    Welk paar klopt?

    1. deze brief · deze adres
    2. dit brief · deze adres
    3. deze brief · dit adres
    4. dat brief · die adres
    Toon antwoord

    Antwoord: C deze brief · dit adres

    de brief → deze, het adres → dit.

  6. 6Zet de woorden in de juiste volgorde.

    is Deze voor u brief

    Toon antwoord

    Antwoord: Deze brief is voor u

    Aanwijzend woord, dan het zelfstandig naamwoord.

  7. 7Vul het gat in.

    _____ brief begrijp ik niet.

    1. Dat
    2. Deze
    3. Die
    4. Dit
    Toon antwoord

    Antwoord: B Deze brief begrijp ik niet.

    de brief en hij is hier → deze.

  8. 8Vul het gat in.

    _____ medicijn helpt niet.

    1. Deze
    2. Dezen
    3. Dit
    4. Die
    Toon antwoord

    Antwoord: C Dit medicijn helpt niet.

    het medicijn en het is hier → dit.

  9. 9Kies de juiste zin.

    U wijst naar een bus verderop.

    1. Dat bus gaat naar het centrum.
    2. Die bus gaat naar het centrum.
    3. Deze bus gaat naar het centrum daar.
    4. Dit bus gaat naar het centrum.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Die bus gaat naar het centrum.

    de bus en hij is daar → die.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. Dit formulier is voor u daar.
    2. Die formulier is voor u.
    3. Dat formulier is voor u.
    4. Deze formulier is voor u.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Dat formulier is voor u.

    het formulier en het is daar → dat.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen