Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

De tegenwoordige tijd

A0 · Start Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

Neem het hele werkwoord (werken) en haal -en weg. Wat overblijft is de stam: werk. Dan geldt: ik + stam, jij/u/hij + stam + t, wij/jullie/zij + het hele werkwoord. Let op de spelling: wonen wordt woon en maken wordt maak, want een open klinker blijft lang. En weer: staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg — Werk jij hier?

Patroon

werken → werk | ik werk · jij werkt · hij werkt · wij werken

Voorbeelden

  1. Ik werk in een restaurant.

    stam: werk

  2. Jij werkt te hard.

    stam + t

  3. Wij wonen in Tilburg.

    hele werkwoord

  4. Ik woon hier.

    wonen → woon

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik wonen hier.

    Goed: Ik woon hier.

    Bij ik hoort de kale stam.

  • Fout: Werkt jij hier?

    Goed: Werk jij hier?

    jij achter het werkwoord verliest de -t.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Ik _____ in Amsterdam. (wonen)

    1. woont
    2. wonen
    3. woon
    4. wone
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik woon in Amsterdam. (wonen)

    wonen → woon, met één o.

  2. 2Vul het gat in.

    Hij _____ elke dag. (werken)

    1. werkte
    2. werken
    3. werkt
    4. werk
    Toon antwoord

    Antwoord: C Hij werkt elke dag. (werken)

    hij → stam + t.

  3. 3Vul het gat in.

    Jullie _____ heel goed Nederlands. (spreken)

    1. sprekt
    2. spreek
    3. spreken
    4. spreekt
    Toon antwoord

    Antwoord: C Jullie spreken heel goed Nederlands. (spreken)

    Meervoud → het hele werkwoord.

  4. 4Verander de zin.

    Maak er een vraag van.

    Jij werkt bij de gemeente.

    1. Werk jij bij de gemeente?
    2. Werken jij bij de gemeente?
    3. Werkt jij bij de gemeente?
    4. Jij werkt bij de gemeente?
    Toon antwoord

    Antwoord: A Werk jij bij de gemeente?

    Werkwoord vooraan en de -t valt weg.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Mijn man werken bij de bakker.

    1. Mijn man werkte bij de bakker.
    2. Mijn man werkt bij de bakker.
    3. Mijn man werk bij de bakker.
    4. Mijn mannen werkt bij de bakker.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Mijn man werkt bij de bakker.

    Eén persoon → stam + t.

  6. 6Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Nederlands leren Wij op school

    Toon antwoord

    Antwoord: Wij leren Nederlands op school

    Meervoud → het hele werkwoord.

  7. 7Vul het gat in.

    Zij _____ in een winkel. (werken)

    1. werkte
    2. werk
    3. werkt
    4. werken
    Toon antwoord

    Antwoord: C Zij werkt in een winkel. (werken)

    zij voor één persoon → stam + t.

  8. 8Vul het gat in.

    Ik _____ elke dag Nederlands. (oefenen)

    1. oefen
    2. oefent
    3. oefende
    4. oefenen
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik oefen elke dag Nederlands. (oefenen)

    ik is de kale stam, zonder uitgang.

  9. 9Kies de juiste zin.

    U en uw gezin wonen hier.

    1. Wij woon in Rotterdam.
    2. Wij wonent in Rotterdam.
    3. Wij woont in Rotterdam.
    4. Wij wonen in Rotterdam.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Wij wonen in Rotterdam.

    Een meervoud krijgt de hele werkwoordsvorm.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. De les begint om negen uur niet.
    2. De les begint om negen uur.
    3. De les beginnen om negen uur.
    4. De les begin om negen uur.
    Toon antwoord

    Antwoord: B De les begint om negen uur.

    Eén les → stam + t.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen