Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Bezittelijke voornaamwoorden

A0 · Start Verwijzen naar mensen en dingen Vragen 10

De regel

mijn, jouw/je, uw, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun. Eén vorm verandert mee met het woord erachter: ons bij een het-woord (ons huis), onze bij een de-woord en bij elk meervoud (onze buurman, onze kinderen). De rest blijft altijd hetzelfde.

Patroon

ons huis (het) · onze buurman (de) · onze kinderen (meervoud)

Voorbeelden

  1. Mijn naam is Sara.

    mijn verandert nooit.

  2. Is dit jouw jas?

    jouw of je.

  3. Ons huis staat in de Kerkstraat.

    het huis → ons

  4. Onze kinderen gaan naar school.

    meervoud → onze

Veelgemaakte fouten

  • Fout: onze huis

    Goed: ons huis

    huis is een het-woord, dus ons.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    _____ naam is Ahmed.

    1. Mijne
    2. Mijn
    3. Mij
    4. Me
    Toon antwoord

    Antwoord: B Mijn naam is Ahmed.

    mijn verandert nooit.

  2. 2Vul het gat in.

    Het adres is van ons.

    _____ adres staat op de brief.

    1. Ons
    2. Onzes
    3. Onze
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ons adres staat op de brief.

    het adres, dus ons.

  3. 3Vul het gat in.

    De buurvrouw is van ons.

    _____ buurvrouw is heel aardig.

    1. Ons
    2. Onze
    3. Onzen
    Toon antwoord

    Antwoord: B Onze buurvrouw is heel aardig.

    de buurvrouw, dus onze.

  4. 4Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Onze paspoort ligt thuis.

    1. Onze paspoort liggen thuis.
    2. Onzen paspoort ligt thuis.
    3. Ons paspoorten ligt thuis.
    4. Ons paspoort ligt thuis.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ons paspoort ligt thuis.

    het paspoort, dus ons.

  5. 5Kies de juiste zin.

    Het kind is van hem. Welke zin klopt?

    1. Zijne kind is vier jaar.
    2. Haar kind is vier jaar.
    3. Hun kind is vier jaar.
    4. Zijn kind is vier jaar.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Zijn kind is vier jaar.

    zijn hoort bij hij en verandert niet.

  6. 6Zet de woorden in de juiste volgorde.

    in Onze wonen Rotterdam ouders

    Toon antwoord

    Antwoord: Onze ouders wonen in Rotterdam

    Meervoud, dus onze.

  7. 7Vul het gat in.

    _____ paspoort is verlopen. (van mij)

    1. Mijne
    2. Me
    3. Mij
    4. Mijn
    Toon antwoord

    Antwoord: D Mijn paspoort is verlopen. (van mij)

    mijn is het bezit; mij is de voorwerpsvorm.

  8. 8Vul het gat in.

    Wat is _____ telefoonnummer? (van u)

    1. uwe
    2. u
    3. uw
    4. jouw
    Toon antwoord

    Antwoord: C Wat is uw telefoonnummer? (van u)

    Bij u is het bezit uw.

  9. 9Kies de juiste zin.

    De fiets is van uw buurvrouw.

    1. Haar fiets staat voor mijn deur.
    2. Hun fiets staat voor mijn deur.
    3. Haars fiets staat voor mijn deur.
    4. Zijn fiets staat voor mijn deur.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Haar fiets staat voor mijn deur.

    Een vrouw → haar.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. Ons adres staat op de brief.
    2. Onze adres staat op de brief.
    3. Onzes adres staat op de brief.
    4. Ons adressen staat op de brief.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ons adres staat op de brief.

    het adres, dus ons; de-woorden krijgen onze.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen