Bezittelijke voornaamwoorden
De regel
mijn, jouw/je, uw, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun. Eén vorm verandert mee met het woord erachter: ons bij een het-woord (ons huis), onze bij een de-woord en bij elk meervoud (onze buurman, onze kinderen). De rest blijft altijd hetzelfde.
ons huis (het) · onze buurman (de) · onze kinderen (meervoud)
Voorbeelden
Mijn naam is Sara.
mijn verandert nooit.
Is dit jouw jas?
jouw of je.
Ons huis staat in de Kerkstraat.
het huis → ons
Onze kinderen gaan naar school.
meervoud → onze
Veelgemaakte fouten
-
Fout: onze huis
Goed: ons huis
huis is een het-woord, dus ons.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
_____ naam is Ahmed.
- Mijne
- Mijn
- Mij
- Me
Toon antwoord
Antwoord: B Mijn naam is Ahmed.
mijn verandert nooit.
-
2Vul het gat in.
Het adres is van ons.
_____ adres staat op de brief.
- Ons
- Onzes
- Onze
Toon antwoord
Antwoord: A Ons adres staat op de brief.
het adres, dus ons.
-
3Vul het gat in.
De buurvrouw is van ons.
_____ buurvrouw is heel aardig.
- Ons
- Onze
- Onzen
Toon antwoord
Antwoord: B Onze buurvrouw is heel aardig.
de buurvrouw, dus onze.
-
4Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Onze paspoort ligt thuis.
- Onze paspoort liggen thuis.
- Onzen paspoort ligt thuis.
- Ons paspoorten ligt thuis.
- Ons paspoort ligt thuis.
Toon antwoord
Antwoord: D Ons paspoort ligt thuis.
het paspoort, dus ons.
-
5Kies de juiste zin.
Het kind is van hem. Welke zin klopt?
- Zijne kind is vier jaar.
- Haar kind is vier jaar.
- Hun kind is vier jaar.
- Zijn kind is vier jaar.
Toon antwoord
Antwoord: D Zijn kind is vier jaar.
zijn hoort bij hij en verandert niet.
-
6Zet de woorden in de juiste volgorde.
in Onze wonen Rotterdam ouders
Toon antwoord
Antwoord: Onze ouders wonen in Rotterdam
Meervoud, dus onze.
-
7Vul het gat in.
_____ paspoort is verlopen. (van mij)
- Mijne
- Me
- Mij
- Mijn
Toon antwoord
Antwoord: D Mijn paspoort is verlopen. (van mij)
mijn is het bezit; mij is de voorwerpsvorm.
-
8Vul het gat in.
Wat is _____ telefoonnummer? (van u)
- uwe
- u
- uw
- jouw
Toon antwoord
Antwoord: C Wat is uw telefoonnummer? (van u)
Bij u is het bezit uw.
-
9Kies de juiste zin.
De fiets is van uw buurvrouw.
- Haar fiets staat voor mijn deur.
- Hun fiets staat voor mijn deur.
- Haars fiets staat voor mijn deur.
- Zijn fiets staat voor mijn deur.
Toon antwoord
Antwoord: A Haar fiets staat voor mijn deur.
Een vrouw → haar.
-
10Kies de juiste zin.
- Ons adres staat op de brief.
- Onze adres staat op de brief.
- Onzes adres staat op de brief.
- Ons adressen staat op de brief.
Toon antwoord
Antwoord: A Ons adres staat op de brief.
het adres, dus ons; de-woorden krijgen onze.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen