Toen, als of wanneer?
De regel
Alle drie betekenen ze iets met tijd, maar ze staan niet op dezelfde plek. Toen gebruikt u voor één moment in het verleden: "Toen ik binnenkwam, stond zij op." Als gebruikt u voor het heden, de toekomst of iets dat vaker gebeurde: "Als het regent, blijf ik thuis." Wanneer is vooral een vraagwoord: "Wanneer komt u?" Na toen en als staat het werkwoord aan het eind van die bijzin, en begint de hoofdzin daarna met het werkwoord.
TOEN + verleden … , WERKWOORD + rest
Voorbeelden
Toen ik in Nederland aankwam, sprak ik geen Nederlands.
één moment in het verleden
Als ik tijd heb, ga ik naar het taalcafé.
heden en herhaling
Wanneer begint de cursus precies?
vraagwoord
Toen wij klein waren, gingen wij elke zomer naar zee.
toen kan ook een periode in het verleden zijn
Veelgemaakte fouten
-
Fout: Als ik gisteren thuiskwam, was het donker.
Goed: Toen ik gisteren thuiskwam, was het donker.
Eén moment in het verleden vraagt toen.
-
Fout: Toen ik tijd heb, kom ik langs.
Goed: Als ik tijd heb, kom ik langs.
Voor het heden gebruikt u als.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
_____ ik gisteren thuiskwam, was er niemand.
- Wanneer
- Dan
- Als
- Toen
Toon antwoord
Antwoord: D Toen ik gisteren thuiskwam, was er niemand.
Eén moment in het verleden: toen.
-
2Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
_____ het morgen regent, gaan wij niet fietsen.
- Toen
- Als
- Wanneer
- Omdat
Toon antwoord
Antwoord: B Als het morgen regent, gaan wij niet fietsen.
Toekomst en voorwaarde: als.
-
3Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
_____ krijg ik de uitslag van het onderzoek?
- Wanneer
- Toen
- Als
- Waar
Toon antwoord
Antwoord: A Wanneer krijg ik de uitslag van het onderzoek?
In een vraag: wanneer.
-
4Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Toen de bus kwam, in stapte iedereen.
- Toen de bus kwam, stapte iedereen in.
- Toen de bus kwam, iedereen stapte in.
- Toen kwam de bus, stapte iedereen in.
Toon antwoord
Antwoord: B Toen de bus kwam, stapte iedereen in.
Na de bijzin begint de hoofdzin met het werkwoord.
-
5Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Als ik het niet begrijp, ik vraag het opnieuw.
- Als het niet ik begrijp, vraag ik het opnieuw.
- Als ik het niet begrijp, vraag ik het opnieuw.
- Als ik begrijp het niet, vraag ik het opnieuw.
Toon antwoord
Antwoord: C Als ik het niet begrijp, vraag ik het opnieuw.
Het werkwoord van de bijzin staat aan het eind.
-
6Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Als ik vorige week bij de dokter was, gaf hij mij een recept.
- Toen ik vorige week bij de dokter was, gaf hij mij een recept.
- Als ik was vorige week bij de dokter, hij gaf mij een recept.
- Wanneer ik vorige week bij de dokter was, gaf hij mij een recept.
- Toen ik was vorige week bij de dokter, gaf hij mij een recept.
Toon antwoord
Antwoord: A Toen ik vorige week bij de dokter was, gaf hij mij een recept.
Vorige week is één moment in het verleden: toen.
-
7Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Toen wij naar de markt gaan, kopen wij altijd verse vis.
- Wanneer gaan wij naar de markt, kopen wij verse vis.
- Als wij gaan naar de markt, kopen altijd wij verse vis.
- Toen wij naar de markt gaan, wij kopen altijd verse vis.
- Als wij naar de markt gaan, kopen wij altijd verse vis.
Toon antwoord
Antwoord: D Als wij naar de markt gaan, kopen wij altijd verse vis.
Een gewoonte in het heden vraagt als.
-
8Kies de juiste zin.
Kies het goede woord.
Ik weet nog niet _____ de brief komt.
- waar
- als dat
- wanneer
- toen
Toon antwoord
Antwoord: C wanneer
In een indirecte vraag over tijd: wanneer.
-
9Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Wanneer ik nog studeerde, werkte ik in een café.
- Als ik nog studeerde, werkte ik in een café.
- Toen ik studeerde nog, ik werkte in een café.
- Toen ik nog studeerde, werkte ik in een café.
Toon antwoord
Antwoord: D Toen ik nog studeerde, werkte ik in een café.
Toen met een periode in het verleden kan ook.
-
10Zet de woorden in de juiste volgorde.
Zet de woorden in de goede volgorde.
ik Toen belde was bezet het
Toon antwoord
Antwoord: Toen ik belde was het bezet
Bijzin met het werkwoord achteraan, dan de hoofdzin.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen