Time, manner, place in longer sentences
Tijd, manier, plaats in langere zinnen
The rule
You already know time – manner – place. At B1 more parts join in, and then two things hold. What is known comes early; what is new comes late. And niet stands just before the part you negate, but always before the place. Ik ga morgen met de bus naar de gemeente is the base; you can build everything around that.
onderwerp + werkwoord + TIJD + MANIER + PLAATS + rest van het werkwoord
Examples
Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.
time – manner – place.
Ik heb het formulier gisteren persoonlijk bij het loket afgegeven.
Four parts, the same order.
Ik ben vandaag niet naar het werk gegaan.
niet stands before the place.
Morgen ga ik met de bus naar de gemeente.
Time first → verb and subject swap.
Common mistakes
-
Wrong: Ik ga naar de gemeente morgen met de bus.
Right: Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.
Place comes after time and manner.
-
Wrong: Ik ben vandaag naar het werk niet gegaan.
Right: Ik ben vandaag niet naar het werk gegaan.
niet stands before the place phrase.
Practice questions
Try each one yourself first, then open “Show answer” for the solution and the reason.
-
1Choose the correct sentence.
- Ik ga met de bus morgen naar de gemeente.
- Ik ga morgen naar de gemeente met de bus toe.
- Ik ga naar de gemeente morgen met de bus.
- Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.
Show answer
Answer: D Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.
time – manner – place.
-
2Put the words in the right order.
Ik heb het formulier gisteren persoonlijk bij het loket afgegeven
Show answer
Answer: Ik heb het formulier gisteren persoonlijk bij het loket afgegeven
Known first, then time, manner, place, participle.
-
3This sentence is wrong. Choose the fix.
This sentence is wrong. Choose the correct one.
Ik ben vandaag naar het werk niet gegaan.
- Niet ik ben vandaag naar het werk gegaan.
- Ik ben vandaag niet naar het werk gegaan.
- Ik ben niet vandaag naar het werk gegaan.
- Ik ben vandaag naar het werk gegaan niet.
Show answer
Answer: B Ik ben vandaag niet naar het werk gegaan.
niet stands before the place phrase.
-
4Choose the correct sentence.
U begint met de tijd.
- Morgen met de bus ik ga naar de gemeente.
- Morgen ga ik met de bus naar de gemeente.
- Morgen ik ga met de bus naar de gemeente.
- Morgen ga met de bus ik naar de gemeente.
Show answer
Answer: B Morgen ga ik met de bus naar de gemeente.
With time in front, the verb comes before the subject.
-
5Put the words in the right order.
Wij hebben de sleutels vorige week al bij de makelaar ingeleverd
Show answer
Answer: Wij hebben de sleutels vorige week al bij de makelaar ingeleverd
Known, time, place, participle last.
-
6Fill in the gap.
Where does niet belong?
Ik werk _____ op zaterdag _____ in het centrum _____.
- op de derde plaats
- helemaal vooraan de zin
- op de eerste plaats
- op de tweede plaats
Show answer
Answer: D op de tweede plaats
niet goes before the place phrase in het centrum.
-
7Choose the correct sentence.
- Ze hebben vanochtend afgegeven het pakket bij de buren.
- Ze hebben bij de buren het pakket vanochtend afgegeven.
- Ze hebben het pakket vanochtend bij de buren afgegeven.
- Ze hebben het pakket bij de buren vanochtend afgegeven worden.
Show answer
Answer: C Ze hebben het pakket vanochtend bij de buren afgegeven.
What is already known (het pakket) goes early; new goes late.
-
8Change the sentence.
Start the sentence with the time phrase.
Ik heb dat gesprek vorige week telefonisch gevoerd.
- Vorige week heb ik dat gesprek telefonisch gevoerd.
- Vorige week telefonisch heb ik dat gesprek gevoerd.
- Vorige week heb dat gesprek ik telefonisch gevoerd.
- Vorige week ik heb dat gesprek telefonisch gevoerd.
Show answer
Answer: A Vorige week heb ik dat gesprek telefonisch gevoerd.
Time first → verb, then subject.
-
9Choose the correct sentence.
- Ik ga naar de gemeente morgen met de bus.
- Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.
- Ik ga morgen naar de gemeente met de bus.
- Ik ga met de bus morgen naar de gemeente.
Show answer
Answer: B Ik ga morgen met de bus naar de gemeente.
Time, then manner, then place.
-
10Choose the correct sentence.
- Zij heeft telefonisch vorige week bezwaar gemaakt.
- Zij heeft vorige week telefonisch bezwaar gemaakt.
- Zij heeft vorige week bezwaar telefonisch gemaakt.
- Zij heeft bezwaar vorige week telefonisch gemaakt.
Show answer
Answer: B Zij heeft vorige week telefonisch bezwaar gemaakt.
Vorige week is time and comes before telefonisch.
Practise this lesson in Zorg Space
In the app every rule becomes interactive practice: instant correction, reviews at the moment you are about to forget, and progress you can see from level to level — free.
Start for free