Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Het werkwoord hebben

A0 · Start Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

ik heb, jij hebt, u hebt of u heeft, hij/zij/het heeft, wij/jullie/zij hebben. Dezelfde regel als bij zijn geldt hier ook: achter het werkwoord verliest jij de -t — Heb jij tijd? Bij u zijn hebt en heeft allebei goed.

Patroon

ik heb · jij hebt · hij heeft · wij hebben | Heb jij…?

Voorbeelden

  1. Ik heb een vraag.

    ik → heb

  2. Hij heeft geen tijd.

    hij → heeft

  3. Wij hebben twee kinderen.

    wij → hebben

  4. Heb jij een pen?

    Na het werkwoord: geen -t.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Ik _____ geen DigiD.

    1. heb
    2. hebt
    3. hebben
    4. heeft
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik heb geen DigiD.

    ik → heb.

  2. 2Vul het gat in.

    Mijn buurvrouw _____ een hond.

    1. heb
    2. heeft
    3. hebt
    4. hebben
    Toon antwoord

    Antwoord: B Mijn buurvrouw heeft een hond.

    Eén persoon → heeft.

  3. 3Vul het gat in.

    _____ jij mijn nummer?

    1. Hebben
    2. Heb
    3. Heeft
    4. Hebt
    Toon antwoord

    Antwoord: B Heb jij mijn nummer?

    jij achter het werkwoord: geen -t.

  4. 4Kies de juiste zin.

    Welke zin klopt?

    1. Heeft u een afspraak?
    2. Hebben u een afspraak?
    3. Heeft jij een afspraak?
    4. Heb u een afspraak?
    Toon antwoord

    Antwoord: A Heeft u een afspraak?

    Bij u mag hebt of heeft.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Wij heeft een nieuw adres.

    1. Wij heb een nieuw adres.
    2. Wij hebt een nieuw adres.
    3. Wij hebben een nieuwe adres.
    4. Wij hebben een nieuw adres.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Wij hebben een nieuw adres.

    wij → hebben.

  6. 6Zet de woorden in de juiste volgorde.

    een Ik heb vraag

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik heb een vraag

    Onderwerp, werkwoord, rest.

  7. 7Vul het gat in.

    Wij _____ een nieuw adres.

    1. hebben
    2. heeft
    3. hebt
    4. heb
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij hebben een nieuw adres.

    wij hoort bij hebben.

  8. 8Vul het gat in.

    _____ u een verzekering?

    1. Hebt
    2. Heb
    3. Heeft
    4. Hebben
    Toon antwoord

    Antwoord: C Heeft u een verzekering?

    u hoort bij heeft.

  9. 9Kies de juiste zin.

    U vraagt een collega naar zijn pauze.

    1. Hebt je pauze?
    2. Heb je pauze?
    3. Hebben je pauze?
    4. Heeft je pauze?
    Toon antwoord

    Antwoord: B Heb je pauze?

    Met je achter het werkwoord valt de -t weg.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. Mijn zoon heeft hoofdpijn.
    2. Mijn zoon heb hoofdpijn.
    3. Mijn zoon hebben hoofdpijn.
    4. Mijn zoon hebt hoofdpijn.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Mijn zoon heeft hoofdpijn.

    Eén persoon, derde vorm → heeft.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen