Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

kunnen, moeten, willen, mogen

A0 · Start Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

Met deze vier werkwoorden zegt u wat kan, moet, gewenst of toegestaan is. Ze doen iets bijzonders met de zin: het tweede werkwoord gaat naar het EINDE en blijft in de hele vorm. Ik kan komen. Ik moet het formulier invullen. De vormen: ik kan, jij kunt of kan, wij kunnen; ik moet, jij moet, wij moeten; ik wil, jij wilt of wil, wij willen; ik mag, jij mag, wij mogen.

Patroon

Ik kan vandaag niet werken. → hulpwerkwoord op 2, hoofdwerkwoord achteraan

Voorbeelden

  1. Ik kan vandaag niet werken.

    werken staat achteraan.

  2. Ik moet onze afspraak afzeggen.

    afzeggen staat achteraan.

  3. Mag ik hier parkeren?

    Vraag: mag vooraan.

  4. Wij willen een afspraak maken.

    maken staat achteraan.

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik kan werken niet vandaag.

    Goed: Ik kan vandaag niet werken.

    Het tweede werkwoord hoort helemaal achteraan.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    1. Ik kan niet vandaag werken niet.
    2. Ik kan werken vandaag niet.
    3. Ik werken kan vandaag niet.
    4. Ik kan vandaag niet werken.
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik kan vandaag niet werken.

    Het tweede werkwoord staat achteraan.

  2. 2Vul het gat in.

    _____ ik u helpen?

    1. Kant
    2. Kan
    3. Kunt
    4. Kunnen
    Toon antwoord

    Antwoord: B Kan ik u helpen?

    Aanbod: Kan ik u helpen?

  3. 3Vul het gat in.

    Wij _____ het formulier invullen.

    1. moets
    2. moesten
    3. moet
    4. moeten
    Toon antwoord

    Antwoord: D Wij moeten het formulier invullen.

    wij → moeten.

  4. 4Zet de woorden in de juiste volgorde.

    afzeggen Ik afspraak moet onze

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik moet onze afspraak afzeggen

    moet op plaats twee, afzeggen achteraan.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Ik wil maken een afspraak.

    1. Ik maken wil een afspraak.
    2. Ik wil een afspraak maken.
    3. Ik wil een maken afspraak.
    4. Ik wilt een afspraak maken.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik wil een afspraak maken.

    Het tweede werkwoord staat achteraan.

  6. 6Kies de juiste zin.

    U vraagt beleefd om toestemming.

    1. Moet ik hier zitten?
    2. Wil ik hier zitten?
    3. Mogen ik hier zitten?
    4. Mag ik hier zitten?
    Toon antwoord

    Antwoord: D Mag ik hier zitten?

    mogen vraagt toestemming, kunnen vraagt of iets mogelijk is.

  7. 7Vul het gat in.

    Ik _____ vandaag niet werken.

    1. kunnen
    2. kunt
    3. kant
    4. kan
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik kan vandaag niet werken.

    ik → kan.

  8. 8Vul het gat in.

    U _____ zich eerst melden.

    1. moet
    2. moeten
    3. mag
    4. moett
    Toon antwoord

    Antwoord: A U moet zich eerst melden.

    u → moet.

  9. 9Kies de juiste zin.

    U vraagt of u met pin mag betalen.

    1. Mag ik pinnen doen?
    2. Mag ik pinnen?
    3. Mag ik pin?
    4. Mag ik te pinnen?
    Toon antwoord

    Antwoord: B Mag ik pinnen?

    Na een modaal werkwoord komt het hele werkwoord.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. Wij willen een afspraak te maken.
    2. Wij wil een afspraak maken.
    3. Wij willen een afspraak maken.
    4. Wij willen maken een afspraak.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Wij willen een afspraak maken.

    Het tweede werkwoord gaat naar het eind, zonder te.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen