Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

gaan, staan, doen, zien

A0 · Start Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

Deze vier werkwoorden lijken onregelmatig, maar volgen dezelfde regel als werken — hun stam is alleen kort: ga, sta, doe, zie. Dus ik ga, jij gaat, hij gaat, wij gaan. U hoeft hier dus niets nieuws te leren, alleen de vier stammen te herkennen.

Patroon

ik ga · jij gaat · wij gaan · ik doe · jij doet · wij doen

Voorbeelden

  1. Ik ga naar de dokter.

    stam: ga

  2. Hoe gaat het met u?

    stam + t

  3. Wij doen boodschappen.

    hele werkwoord

  4. Ik zie u morgen.

    stam: zie

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Ik _____ morgen naar de apotheek.

    1. gaan
    2. ga
    3. gaat
    4. gaa
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik ga morgen naar de apotheek.

    ik → ga.

  2. 2Vul het gat in.

    De bus _____ om acht uur.

    1. ga
    2. gaan
    3. gaats
    4. gaat
    Toon antwoord

    Antwoord: D De bus gaat om acht uur.

    Eén ding → stam + t.

  3. 3Vul het gat in.

    Wat _____ jij vandaag?

    1. doet
    2. doe
    3. doen
    4. does
    Toon antwoord

    Antwoord: B Wat doe jij vandaag?

    jij achter het werkwoord: geen -t.

  4. 4Vul het gat in.

    Wij _____ elkaar volgende week.

    1. zie
    2. zien
    3. zienen
    4. ziet
    Toon antwoord

    Antwoord: B Wij zien elkaar volgende week.

    wij → het hele werkwoord.

  5. 5Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Hij staan bij de ingang.

    1. Hij staat bij de ingang.
    2. Hij staan bij de ingangen.
    3. Hij sta bij de ingang.
    4. Hij staats bij de ingang.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Hij staat bij de ingang.

    Eén persoon → staat.

  6. 6Zet de woorden in de juiste volgorde.

    naar Ik het ga station

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik ga naar het station

    Werkwoord op plaats twee.

  7. 7Vul het gat in.

    Ik _____ naar de apotheek.

    1. gaat
    2. gaan
    3. gaa
    4. ga
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik ga naar de apotheek.

    ik → ga, zonder -t.

  8. 8Vul het gat in.

    De melk _____ daar rechts.

    1. sta
    2. staat
    3. stat
    4. staan
    Toon antwoord

    Antwoord: B De melk staat daar rechts.

    Eén ding → staat.

  9. 9Kies de juiste zin.

    U ziet de dokter niet vanaf uw plaats.

    1. Ik zie de dokter niet.
    2. Ik zieh de dokter niet.
    3. Ik ziet de dokter niet.
    4. Ik zien de dokter niet.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik zie de dokter niet.

    ik → zie.

  10. 10Kies de juiste zin.

    1. Wat doe u voor werk?
    2. Wat doet u voor werk?
    3. Wat u doet voor werk?
    4. Wat doen u voor werk?
    Toon antwoord

    Antwoord: B Wat doet u voor werk?

    u → doet, en het werkwoord staat op twee.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen