Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Onregelmatige deelwoorden

A1 · Beginner Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

Veel gewone werkwoorden maken het deelwoord niet met -t of -d, maar met -en en vaak met een andere klinker. Die vormen leert u uit het hoofd, want er is geen regel voor: eten wordt gegeten, drinken wordt gedronken, lezen wordt gelezen, schrijven wordt geschreven, zien wordt gezien, doen wordt gedaan, gaan wordt gegaan, zijn wordt geweest, hebben wordt gehad. Het zijn juist de werkwoorden die u elke dag nodig hebt, dus het loont om ze goed te kennen.

Patroon

eten → GEGETEN drinken → GEDRONKEN doen → GEDAAN

Voorbeelden

  1. Ik heb brood gegeten.

    eten → gegeten

  2. Wij hebben koffie gedronken.

    drinken → gedronken

  3. Heb je de brief gelezen?

    lezen → gelezen

  4. Ik heb het niet gezien.

    zien → gezien

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik heb geeet.

    Goed: Ik heb gegeten.

    Het deelwoord van eten is gegeten.

  • Fout: Ik heb gehebd.

    Goed: Ik heb gehad.

    hebben → gehad.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik heb vanmorgen niets _____. (eten)

    1. at
    2. geeten
    3. geet
    4. gegeten
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik heb vanmorgen niets gegeten. (eten)

    eten → gegeten.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Wij hebben thee _____. (drinken)

    1. dronk
    2. gedronken
    3. gedrinken
    4. gedrinkt
    Toon antwoord

    Antwoord: B Wij hebben thee gedronken. (drinken)

    drinken → gedronken.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Heb je mijn bericht _____? (lezen)

    1. geleest
    2. gelees
    3. las
    4. gelezen
    Toon antwoord

    Antwoord: D Heb je mijn bericht gelezen? (lezen)

    lezen → gelezen.

  4. 4Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik heb een brief aan de gemeente _____. (schrijven)

    1. geschrijven
    2. schreef
    3. geschrijft
    4. geschreven
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik heb een brief aan de gemeente geschreven. (schrijven)

    schrijven → geschreven.

  5. 5Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Wat heb jij dit weekend _____? (doen)

    1. gedoen
    2. gedaan
    3. deed
    4. gedood
    Toon antwoord

    Antwoord: B Wat heb jij dit weekend gedaan? (doen)

    doen → gedaan.

  6. 6Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik heb gisteren veel pijn _____. (hebben)

    1. gehebt
    2. had
    3. gehad
    4. gehebd
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik heb gisteren veel pijn gehad. (hebben)

    hebben → gehad.

  7. 7Kies de juiste zin.

    Kies de goede vorm.

    Ik heb de dokter nog niet _____.

    1. gespreekt
    2. sprak
    3. gesprekt
    4. gesproken
    Toon antwoord

    Antwoord: D gesproken

    spreken → gesproken.

  8. 8Kies de juiste zin.

    Kies de goede vorm.

    Zij heeft haar sleutels _____.

    1. verloren
    2. geverloren
    3. verliesd
    4. verloos
    Toon antwoord

    Antwoord: A verloren

    verliezen → verloren, zonder ge-.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Kies de goede vorm.

    Ik heb mijn jas _____.

    1. vergat
    2. gevergeten
    3. vergeten
    4. vergeet
    Toon antwoord

    Antwoord: C vergeten

    vergeten heeft geen ge-: het begint al met ver-.

  10. 10Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik heb gisteren mijn buurvrouw geziet.

    1. Ik ben gisteren mijn buurvrouw gezien.
    2. Ik heb gisteren mijn buurvrouw zien.
    3. Ik heb gisteren mijn buurvrouw gezien.
    4. Ik heb gisteren gezien mijn buurvrouw.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik heb gisteren mijn buurvrouw gezien.

    zien → gezien.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen