Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

De voltooide tijd met zijn

A1 · Beginner Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

Niet elk werkwoord neemt hebben. Werkwoorden die een verandering van plaats of van toestand betekenen, nemen zijn: gaan, komen, blijven, worden, beginnen, stoppen, vertrekken. U zegt dus Ik ben naar de dokter gegaan en niet Ik heb gegaan. Zijn en blijven horen er ook bij: Ik ben ziek geweest, Ik ben thuis gebleven. De rest van de zin verandert niet — alleen het hulpwerkwoord is anders.

Patroon

Ik BEN naar de dokter GEGAAN.

Voorbeelden

  1. Ik ben naar de dokter gegaan.

    gaan = van plaats veranderen

  2. Hij is te laat gekomen.

    komen neemt zijn

  3. Ik ben thuis gebleven.

    blijven neemt ook zijn

  4. Zij is ziek geweest.

    zijn → geweest

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik heb naar huis gegaan.

    Goed: Ik ben naar huis gegaan.

    gaan is een verandering van plaats, dus zijn.

  • Fout: Ik ben gewerkt.

    Goed: Ik heb gewerkt.

    werken verandert niets, dus hebben.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Ik _____ vanmorgen naar de apotheek gegaan.

    1. was
    2. heb
    3. had
    4. ben
    Toon antwoord

    Antwoord: D Ik ben vanmorgen naar de apotheek gegaan.

    gaan neemt zijn.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Wij _____ gisteren de hele dag thuis gebleven.

    1. zijn
    2. waren
    3. hadden
    4. hebben
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij zijn gisteren de hele dag thuis gebleven.

    blijven neemt zijn.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul het goede woord in.

    Ik _____ het formulier ingevuld.

    1. heb
    2. word
    3. was
    4. ben
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik heb het formulier ingevuld.

    invullen verandert geen plaats: hebben.

  4. 4Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Hij is om zeven uur _____. (vertrekken)

    1. vertrokken
    2. vertrekte
    3. gevertrokken
    4. vertrekt
    Toon antwoord

    Antwoord: A Hij is om zeven uur vertrokken. (vertrekken)

    vertrekken → vertrokken.

  5. 5Kies de juiste zin.

    Kies de goede vorm.

    Zij is vorig jaar verpleegkundige _____.

    1. wordde
    2. gewordt
    3. geword
    4. geworden
    Toon antwoord

    Antwoord: D geworden

    worden → geworden, met zijn.

  6. 6Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik heb twee dagen ziek geweest.
    2. Ik heb twee dagen ziek gewezen.
    3. Ik ben twee dagen ziek geweest.
    4. Ik ben twee dagen ziek gehad.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik ben twee dagen ziek geweest.

    geweest hoort bij zijn, niet bij hebben.

  7. 7Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. De bus is te laat gekomen.
    2. De bus is gekomen te laat.
    3. De bus gekomen is te laat.
    4. De bus heeft te laat gekomen.
    Toon antwoord

    Antwoord: A De bus is te laat gekomen.

    Het deelwoord staat achteraan, ook met zijn.

  8. 8Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik heb gisteren naar de gemeente gegaan.

    1. Ik gisteren ben naar de gemeente gegaan.
    2. Ik heb gisteren naar de gemeente geweest.
    3. Ik ben gisteren naar de gemeente gegaan.
    4. Ik ben gisteren naar de gemeente gegaan geweest.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik ben gisteren naar de gemeente gegaan.

    gaan neemt zijn, niet hebben.

  9. 9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    De les is om negen uur begonnen geweest.

    1. De les heeft om negen uur begonnen.
    2. De les was om negen uur beginnen.
    3. De les is om negen uur begonnen.
    4. De les is begonnen om negen uur begonnen.
    Toon antwoord

    Antwoord: C De les is om negen uur begonnen.

    Eén deelwoord is genoeg: begonnen.

  10. 10Kies de juiste zin.

    Vul het goede woord in.

    Hoe laat _____ jij thuisgekomen?

    1. bent
    2. had
    3. heb
    4. ben
    Toon antwoord

    Antwoord: D ben

    thuiskomen is komen: zijn.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen