De voltooide tijd met zijn
De regel
Niet elk werkwoord neemt hebben. Werkwoorden die een verandering van plaats of van toestand betekenen, nemen zijn: gaan, komen, blijven, worden, beginnen, stoppen, vertrekken. U zegt dus Ik ben naar de dokter gegaan en niet Ik heb gegaan. Zijn en blijven horen er ook bij: Ik ben ziek geweest, Ik ben thuis gebleven. De rest van de zin verandert niet — alleen het hulpwerkwoord is anders.
Ik BEN naar de dokter GEGAAN.
Voorbeelden
Ik ben naar de dokter gegaan.
gaan = van plaats veranderen
Hij is te laat gekomen.
komen neemt zijn
Ik ben thuis gebleven.
blijven neemt ook zijn
Zij is ziek geweest.
zijn → geweest
Veelgemaakte fouten
-
Fout: Ik heb naar huis gegaan.
Goed: Ik ben naar huis gegaan.
gaan is een verandering van plaats, dus zijn.
-
Fout: Ik ben gewerkt.
Goed: Ik heb gewerkt.
werken verandert niets, dus hebben.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Ik _____ vanmorgen naar de apotheek gegaan.
- was
- heb
- had
- ben
Toon antwoord
Antwoord: D Ik ben vanmorgen naar de apotheek gegaan.
gaan neemt zijn.
-
2Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Wij _____ gisteren de hele dag thuis gebleven.
- zijn
- waren
- hadden
- hebben
Toon antwoord
Antwoord: A Wij zijn gisteren de hele dag thuis gebleven.
blijven neemt zijn.
-
3Vul het gat in.
Vul het goede woord in.
Ik _____ het formulier ingevuld.
- heb
- word
- was
- ben
Toon antwoord
Antwoord: A Ik heb het formulier ingevuld.
invullen verandert geen plaats: hebben.
-
4Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Hij is om zeven uur _____. (vertrekken)
- vertrokken
- vertrekte
- gevertrokken
- vertrekt
Toon antwoord
Antwoord: A Hij is om zeven uur vertrokken. (vertrekken)
vertrekken → vertrokken.
-
5Kies de juiste zin.
Kies de goede vorm.
Zij is vorig jaar verpleegkundige _____.
- wordde
- gewordt
- geword
- geworden
Toon antwoord
Antwoord: D geworden
worden → geworden, met zijn.
-
6Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Ik heb twee dagen ziek geweest.
- Ik heb twee dagen ziek gewezen.
- Ik ben twee dagen ziek geweest.
- Ik ben twee dagen ziek gehad.
Toon antwoord
Antwoord: C Ik ben twee dagen ziek geweest.
geweest hoort bij zijn, niet bij hebben.
-
7Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- De bus is te laat gekomen.
- De bus is gekomen te laat.
- De bus gekomen is te laat.
- De bus heeft te laat gekomen.
Toon antwoord
Antwoord: A De bus is te laat gekomen.
Het deelwoord staat achteraan, ook met zijn.
-
8Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Ik heb gisteren naar de gemeente gegaan.
- Ik gisteren ben naar de gemeente gegaan.
- Ik heb gisteren naar de gemeente geweest.
- Ik ben gisteren naar de gemeente gegaan.
- Ik ben gisteren naar de gemeente gegaan geweest.
Toon antwoord
Antwoord: C Ik ben gisteren naar de gemeente gegaan.
gaan neemt zijn, niet hebben.
-
9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
De les is om negen uur begonnen geweest.
- De les heeft om negen uur begonnen.
- De les was om negen uur beginnen.
- De les is om negen uur begonnen.
- De les is begonnen om negen uur begonnen.
Toon antwoord
Antwoord: C De les is om negen uur begonnen.
Eén deelwoord is genoeg: begonnen.
-
10Kies de juiste zin.
Vul het goede woord in.
Hoe laat _____ jij thuisgekomen?
- bent
- had
- heb
- ben
Toon antwoord
Antwoord: D ben
thuiskomen is komen: zijn.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen