was, waren, had, hadden
De regel
Voor zijn en hebben gebruikt het Nederlands meestal geen voltooide tijd maar de gewone verleden tijd. U zegt Ik was ziek en niet Ik ben ziek geweest als u gewoon vertelt hoe het was. Zijn wordt was (ik, hij, zij, het) en waren (wij, jullie, zij, u meestal was). Hebben wordt had en hadden. Deze vier vormen komen in bijna elk gesprek over gisteren voor, dus ze zijn de moeite waard.
ik / hij / zij → WAS · HAD wij / jullie / zij → WAREN · HADDEN
Voorbeelden
Ik was gisteren ziek.
ik → was
Wij waren op vakantie.
wij → waren
Ik had geen tijd.
ik → had
Zij hadden een afspraak.
zij (meervoud) → hadden
Veelgemaakte fouten
-
Fout: Wij was op vakantie.
Goed: Wij waren op vakantie.
wij hoort bij waren.
-
Fout: Ik heb geen tijd gehad gisteren.
Goed: Ik had gisteren geen tijd.
Bij hebben klinkt de verleden tijd natuurlijker.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Ik _____ vorige week ziek.
- was
- waren
- had
- ben
Toon antwoord
Antwoord: A Ik was vorige week ziek.
ik → was.
-
2Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Wij _____ gisteren niet thuis.
- zijn
- hadden
- waren
- was
Toon antwoord
Antwoord: C Wij waren gisteren niet thuis.
wij → waren.
-
3Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Ik _____ gisteren geen tijd.
- hadden
- heb
- was
- had
Toon antwoord
Antwoord: D Ik had gisteren geen tijd.
ik → had.
-
4Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Mijn ouders _____ vroeger een winkel.
- waren
- hadden
- hebben
- had
Toon antwoord
Antwoord: B Mijn ouders hadden vroeger een winkel.
meervoud → hadden.
-
5Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Hoe _____ het op je werk?
- waren
- is
- had
- was
Toon antwoord
Antwoord: D Hoe was het op je werk?
het → was.
-
6Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Ik had gisteren de hele dag thuis.
- Ik was gisteren de hele dag thuis geweest.
- Ik was gisteren de hele dag thuis.
- Ik was gisteren thuis gebleven geweest.
Toon antwoord
Antwoord: C Ik was gisteren de hele dag thuis.
Bij was en had komt er geen deelwoord achteraan.
-
7Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Was vorige maand ik in België.
- Vorige maand was ik in België.
- Vorige maand ik was in België.
- Vorige maand in België was ik.
Toon antwoord
Antwoord: B Vorige maand was ik in België.
Na een tijdwoord blijft was op plaats twee.
-
8Kies de juiste zin.
Kies de goede vorm.
Er _____ veel mensen in de wachtkamer.
- waren
- was
- had
- hadden
Toon antwoord
Antwoord: A waren
veel mensen is meervoud → waren.
-
9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Wij was gisteren op het gemeentehuis.
- Wij waren gisteren op het gemeentehuis.
- Wij waren gisteren op het gemeentehuis geweest.
- Wij hadden gisteren op het gemeentehuis.
- Wij was gisteren naar het gemeentehuis.
Toon antwoord
Antwoord: A Wij waren gisteren op het gemeentehuis.
wij hoort bij waren.
-
10Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Ik hadde geen geld bij me.
- Ik was geen geld bij me.
- Ik hadden geen geld bij me.
- Ik heb geen geld bij me gehad.
- Ik had geen geld bij me.
Toon antwoord
Antwoord: D Ik had geen geld bij me.
De vorm is had, zonder -e.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen