Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

De verleden tijd van sterke werkwoorden

A2 · Elementair Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

Sterke werkwoorden krijgen geen -te of -de, maar veranderen van klinker: gaan wordt ging, komen wordt kwam, zien wordt zag, nemen wordt nam, geven wordt gaf, lopen wordt liep. Het meervoud is meestal de enkelvoudsvorm met -en: gingen, kwamen, zagen. Deze werkwoorden zijn precies de werkwoorden die u het vaakst nodig hebt, dus ze zijn het leren waard.

Patroon

gaan → GING · komen → KWAM · zien → ZAG · nemen → NAM

Voorbeelden

  1. Ik ging gisteren naar de huisarts.

    gaan → ging

  2. Zij kwam om acht uur thuis.

    komen → kwam

  3. Wij zagen de bus wegrijden.

    zien → zag, meervoud zagen

  4. Hij nam de trein van zeven uur.

    nemen → nam

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik gaade naar huis.

    Goed: Ik ging naar huis.

    gaan is sterk: geen -de, maar een andere klinker.

  • Fout: Wij kwam te laat.

    Goed: Wij kwamen te laat.

    Meervoud: kwamen.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Gisteren _____ ik naar het ziekenhuis. (gaan)

    1. gaade
    2. ging
    3. gingen
    4. gegaan
    Toon antwoord

    Antwoord: B Gisteren ging ik naar het ziekenhuis. (gaan)

    gaan → ging.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Mijn zus _____ pas om negen uur thuis. (komen)

    1. komde
    2. kwam
    3. kwamen
    4. gekomen
    Toon antwoord

    Antwoord: B Mijn zus kwam pas om negen uur thuis. (komen)

    komen → kwam.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Wij _____ de trein nog net. (nemen)

    1. namen
    2. neemden
    3. nam
    4. genomen
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij namen de trein nog net. (nemen)

    nemen → nam, meervoud namen.

  4. 4Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik _____ de brief pas na een week. (zien)

    1. zag
    2. gezien
    3. zagen
    4. ziende
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik zag de brief pas na een week. (zien)

    zien → zag.

  5. 5Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    De dokter _____ mij een recept. (geven)

    1. gegeven
    2. geefde
    3. gaf
    4. gaven
    Toon antwoord

    Antwoord: C De dokter gaf mij een recept. (geven)

    geven → gaf.

  6. 6Kies de juiste zin.

    Kies de goede vorm.

    Toen ik jong was, _____ ik elke dag naar school.

    1. gelopen
    2. liepen
    3. liep
    4. loopde
    Toon antwoord

    Antwoord: C liep

    lopen → liep.

  7. 7Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik stond op, nam mijn tas en ging weg.
    2. Ik sta op, nam mijn tas en ging weg.
    3. Ik stond op, nam mijn tas en gaan weg.
    4. Ik stond op, neem mijn tas en ging weg.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik stond op, nam mijn tas en ging weg.

    Alle werkwoorden in het verhaal staan in de verleden tijd.

  8. 8Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Zij kwam gisteren en breng haar dochter mee.

    1. Zij kwam gisteren en heeft bracht haar dochter mee.
    2. Zij komt gisteren en bracht haar dochter mee.
    3. Zij kwam gisteren en bracht haar dochter mee.
    4. Zij kwam gisteren en brengde haar dochter mee.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Zij kwam gisteren en bracht haar dochter mee.

    brengen is ook sterk in de verleden tijd: bracht.

  9. 9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Wij ging met de bus naar het strand.

    1. Wij zijn gingen met de bus naar het strand.
    2. Wij gingen met de bus naar het strand.
    3. Wij gaan gisteren met de bus naar het strand.
    4. Wij gingden met de bus naar het strand.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Wij gingen met de bus naar het strand.

    Wij is meervoud: gingen.

  10. 10Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    naar ik Vanmorgen ging werk mijn

    Toon antwoord

    Antwoord: Vanmorgen ging ik naar mijn werk

    Tijdwoord, werkwoord, onderwerp, rest.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen