De verleden tijd van sterke werkwoorden
De regel
Sterke werkwoorden krijgen geen -te of -de, maar veranderen van klinker: gaan wordt ging, komen wordt kwam, zien wordt zag, nemen wordt nam, geven wordt gaf, lopen wordt liep. Het meervoud is meestal de enkelvoudsvorm met -en: gingen, kwamen, zagen. Deze werkwoorden zijn precies de werkwoorden die u het vaakst nodig hebt, dus ze zijn het leren waard.
gaan → GING · komen → KWAM · zien → ZAG · nemen → NAM
Voorbeelden
Ik ging gisteren naar de huisarts.
gaan → ging
Zij kwam om acht uur thuis.
komen → kwam
Wij zagen de bus wegrijden.
zien → zag, meervoud zagen
Hij nam de trein van zeven uur.
nemen → nam
Veelgemaakte fouten
-
Fout: Ik gaade naar huis.
Goed: Ik ging naar huis.
gaan is sterk: geen -de, maar een andere klinker.
-
Fout: Wij kwam te laat.
Goed: Wij kwamen te laat.
Meervoud: kwamen.
Oefenvragen
Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.
-
1Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Gisteren _____ ik naar het ziekenhuis. (gaan)
- gaade
- ging
- gingen
- gegaan
Toon antwoord
Antwoord: B Gisteren ging ik naar het ziekenhuis. (gaan)
gaan → ging.
-
2Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Mijn zus _____ pas om negen uur thuis. (komen)
- komde
- kwam
- kwamen
- gekomen
Toon antwoord
Antwoord: B Mijn zus kwam pas om negen uur thuis. (komen)
komen → kwam.
-
3Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Wij _____ de trein nog net. (nemen)
- namen
- neemden
- nam
- genomen
Toon antwoord
Antwoord: A Wij namen de trein nog net. (nemen)
nemen → nam, meervoud namen.
-
4Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
Ik _____ de brief pas na een week. (zien)
- zag
- gezien
- zagen
- ziende
Toon antwoord
Antwoord: A Ik zag de brief pas na een week. (zien)
zien → zag.
-
5Vul het gat in.
Vul de goede vorm in.
De dokter _____ mij een recept. (geven)
- gegeven
- geefde
- gaf
- gaven
Toon antwoord
Antwoord: C De dokter gaf mij een recept. (geven)
geven → gaf.
-
6Kies de juiste zin.
Kies de goede vorm.
Toen ik jong was, _____ ik elke dag naar school.
- gelopen
- liepen
- liep
- loopde
Toon antwoord
Antwoord: C liep
lopen → liep.
-
7Kies de juiste zin.
Kies de goede zin.
- Ik stond op, nam mijn tas en ging weg.
- Ik sta op, nam mijn tas en ging weg.
- Ik stond op, nam mijn tas en gaan weg.
- Ik stond op, neem mijn tas en ging weg.
Toon antwoord
Antwoord: A Ik stond op, nam mijn tas en ging weg.
Alle werkwoorden in het verhaal staan in de verleden tijd.
-
8Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Zij kwam gisteren en breng haar dochter mee.
- Zij kwam gisteren en heeft bracht haar dochter mee.
- Zij komt gisteren en bracht haar dochter mee.
- Zij kwam gisteren en bracht haar dochter mee.
- Zij kwam gisteren en brengde haar dochter mee.
Toon antwoord
Antwoord: C Zij kwam gisteren en bracht haar dochter mee.
brengen is ook sterk in de verleden tijd: bracht.
-
9Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.
Deze zin is fout. Kies de goede zin.
Wij ging met de bus naar het strand.
- Wij zijn gingen met de bus naar het strand.
- Wij gingen met de bus naar het strand.
- Wij gaan gisteren met de bus naar het strand.
- Wij gingden met de bus naar het strand.
Toon antwoord
Antwoord: B Wij gingen met de bus naar het strand.
Wij is meervoud: gingen.
-
10Zet de woorden in de juiste volgorde.
Zet de woorden in de goede volgorde.
naar ik Vanmorgen ging werk mijn
Toon antwoord
Antwoord: Vanmorgen ging ik naar mijn werk
Tijdwoord, werkwoord, onderwerp, rest.
Oefen deze les in Zorg Space
In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.
Gratis beginnen