Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Modale werkwoorden in het verleden

A2 · Elementair Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

De zes modale werkwoorden krijgen in het verleden een eigen vorm: kunnen wordt kon en konden, moeten wordt moest en moesten, mogen wordt mocht en mochten, willen wordt wilde of wou en wilden, zullen wordt zou en zouden. Het tweede werkwoord blijft een hele infinitief aan het eind, zonder te: "Ik moest naar de balie komen."

Patroon

kon · moest · mocht · wilde · zou + … + INFINITIEF

Voorbeelden

  1. Ik kon gisteren niet komen.

    kunnen → kon

  2. Wij moesten twee uur wachten.

    moeten → moesten

  3. Mijn zoon mocht niet mee.

    mogen → mocht

  4. Zij wilde eerst met u praten.

    willen → wilde

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik moest te komen.

    Goed: Ik moest komen.

    Na een modaal werkwoord komt geen te.

  • Fout: Wij hebben niet gekund komen.

    Goed: Wij konden niet komen.

    Modale werkwoorden staan liever in de verleden tijd.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik _____ gisteren niet naar de les komen. (kunnen)

    1. kunde
    2. heb gekund
    3. kon
    4. konde
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik kon gisteren niet naar de les komen. (kunnen)

    kunnen → kon.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Wij _____ een uur in de wachtkamer zitten. (moeten)

    1. moest
    2. moetten
    3. hebben gemoeten
    4. moesten
    Toon antwoord

    Antwoord: D Wij moesten een uur in de wachtkamer zitten. (moeten)

    moeten → moesten in het meervoud.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Mijn dochter _____ vorig jaar nog niet alleen reizen. (mogen)

    1. mocht
    2. magde
    3. heeft gemogen
    4. mochten
    Toon antwoord

    Antwoord: A Mijn dochter mocht vorig jaar nog niet alleen reizen. (mogen)

    mogen → mocht.

  4. 4Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Hij _____ het formulier zelf invullen. (willen)

    1. wilden
    2. wilde
    3. wilte
    4. heeft gewild
    Toon antwoord

    Antwoord: B Hij wilde het formulier zelf invullen. (willen)

    willen → wilde.

  5. 5Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik moest die dag om zes uur beginnen.
    2. Ik moest die dag om zes uur te beginnen.
    3. Ik die dag moest om zes uur beginnen.
    4. Ik moest beginnen die dag om zes uur beginnen.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik moest die dag om zes uur beginnen.

    De infinitief staat aan het eind, zonder te.

  6. 6Kies de juiste zin.

    Kies de goede vorm.

    Wij _____ het pakket niet ophalen, want de winkel was dicht.

    1. kon
    2. kunnen
    3. hebben gekund
    4. konden
    Toon antwoord

    Antwoord: D konden

    kunnen in het meervoud verleden: konden.

  7. 7Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Zij mocht niet te werken van de dokter.

    1. Zij mocht van de dokter niet werken.
    2. Zij heeft van de dokter niet gemogen werken.
    3. Zij mocht van de dokter niet te werken.
    4. Zij niet mocht van de dokter werken.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Zij mocht van de dokter niet werken.

    Geen te na een modaal werkwoord.

  8. 8Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik heb gisteren niet gekund komen.

    1. Ik gisteren kon niet komen.
    2. Ik heb gisteren niet kunnen gekomen.
    3. Ik kon gisteren niet komen.
    4. Ik kon gisteren niet te komen.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik kon gisteren niet komen.

    Gebruik de verleden tijd: kon.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Omdat ik ziek was, moest ik thuisblijven.
    2. Omdat ik ziek was, moest thuisblijven ik.
    3. Omdat ik ziek was, ik moest thuisblijven.
    4. Omdat ik was ziek, moest ik thuisblijven.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Omdat ik ziek was, moest ik thuisblijven.

    Twee werkwoorden achteraan: modaal eerst, dan de infinitief.

  10. 10Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    moest Ik wachten lang

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik moest lang wachten

    De infinitief sluit af.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen