Naar de inhoud
Zorg Space Open de app

Nederlandse grammatica

Voltooide tijd of verleden tijd?

A2 · Elementair Werkwoorden en tijd Vragen 10

De regel

Nederlands gebruikt de twee tijden anders dan u misschien verwacht. U opent met de voltooide tijd — "Ik ben naar de dokter geweest" — en vertelt daarna verder in de verleden tijd: "Hij keek naar mijn keel en gaf mij een recept." Bij zijn, hebben, kunnen, moeten, willen en mogen zegt u bijna altijd de verleden tijd: was, had, kon, moest, wilde, mocht. Een verhaal dat helemaal in de voltooide tijd blijft, klinkt onnatuurlijk.

Patroon

OPENEN: ben/heb + deelwoord → VERTELLEN: verleden tijd

Voorbeelden

  1. Ik ben gisteren bij de gemeente geweest.

    de opening: voltooide tijd

  2. De baliemedewerker keek naar mijn papieren.

    het vervolg: verleden tijd

  3. Ik had mijn paspoort niet bij mij.

    bij hebben altijd had

  4. Ik moest daarom terugkomen.

    bij moeten altijd moest

Veelgemaakte fouten

  • Fout: Ik heb gisteren geweest bij de dokter en hij heeft gekeken en heeft gegeven.

    Goed: Ik ben gisteren bij de dokter geweest. Hij keek en gaf mij een recept.

    Vertel verder in de verleden tijd.

  • Fout: Ik heb geen tijd gehad, dus ik heb niet gekund.

    Goed: Ik had geen tijd, dus ik kon niet.

    hebben en kunnen zeggen liever had en kon.

Oefenvragen

Probeer elke vraag eerst zelf en open dan „Toon antwoord” voor de oplossing en de reden.

  1. 1Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Ik ging naar de apotheek geweest. Zij hebben gegeven mij een doosje.
    2. Ik ben naar de apotheek geweest. Zij gaven mij een ander doosje.
    3. Ik ben geweest naar de apotheek. Zij geven mij gisteren een doosje.
    4. Ik ben naar de apotheek geweest. Zij hebben gegeven een ander doosje mij.
    Toon antwoord

    Antwoord: B Ik ben naar de apotheek geweest. Zij gaven mij een ander doosje.

    De eerste zin opent, de tweede vertelt verder.

  2. 2Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Ik _____ geen tijd om te bellen. (hebben, verleden tijd)

    1. had
    2. hadde
    3. heb gehad
    4. hebde
    Toon antwoord

    Antwoord: A Ik had geen tijd om te bellen. (hebben, verleden tijd)

    Bij hebben zegt u had, niet heb gehad.

  3. 3Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Zij _____ toen nog geen Nederlands spreken. (kunnen, verleden tijd)

    1. kon
    2. konde
    3. heeft gekund
    4. kunde
    Toon antwoord

    Antwoord: A Zij kon toen nog geen Nederlands spreken. (kunnen, verleden tijd)

    kunnen → kon.

  4. 4Vul het gat in.

    Vul de goede vorm in.

    Wij _____ vorige week erg druk. (zijn, verleden tijd)

    1. zijn geweest
    2. was
    3. waren
    4. werden
    Toon antwoord

    Antwoord: C Wij waren vorige week erg druk. (zijn, verleden tijd)

    zijn → waren in het meervoud.

  5. 5Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. Wij zijn verhuisd. De buren hielpen ons met de dozen.
    2. Wij zijn verhuizen. De buren hielpen ons met de dozen.
    3. Wij zijn verhuisd. De buren hebben ons geholpen met dozen hebben.
    4. Wij verhuisden. De buren zijn ons geholpen met de dozen.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij zijn verhuisd. De buren hielpen ons met de dozen.

    Eén opening in de voltooide tijd is genoeg.

  6. 6Kies de juiste zin.

    Kies de goede vorm.

    Toen ik klein was, _____ ik elke zomer naar mijn oma.

    1. heb gegaan
    2. ben gegaan
    3. gaan
    4. ging
    Toon antwoord

    Antwoord: D ging

    Een gewoonte in het verleden staat in de verleden tijd.

  7. 7Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Ik heb gisteren moeten werken tot acht uur.

    1. Ik moest gisteren werken heb tot acht uur.
    2. Ik gisteren moest werken tot acht uur.
    3. Ik moest gisteren tot acht uur werken.
    4. Ik heb gisteren gemoeten werken tot acht uur.
    Toon antwoord

    Antwoord: C Ik moest gisteren tot acht uur werken.

    Bij moeten zegt Nederlands liever moest.

  8. 8Deze zin klopt niet. Kies de verbetering.

    Deze zin is fout. Kies de goede zin.

    Wij zijn naar het strand geweest en wij hebben gezwommen en wij hebben gegeten.

    1. Wij zijn naar het strand geweest. Wij zwommen en aten daar.
    2. Wij gingen naar het strand geweest en zwommen en aten.
    3. Wij zijn naar het strand en zwommen en hebben gegeten geweest.
    4. Wij waren naar het strand geweest en hebben gezwommen en aten.
    Toon antwoord

    Antwoord: A Wij zijn naar het strand geweest. Wij zwommen en aten daar.

    Open één keer en vertel dan in de verleden tijd verder.

  9. 9Kies de juiste zin.

    Kies de goede zin.

    1. In 2019 heb ik nog in een fabriek gewerkt geweest.
    2. In 2019 ik werkte nog in een fabriek.
    3. In 2019 werkte nog ik in een fabriek.
    4. In 2019 werkte ik nog in een fabriek.
    Toon antwoord

    Antwoord: D In 2019 werkte ik nog in een fabriek.

    Met een tijdbepaling die af is, past de verleden tijd.

  10. 10Zet de woorden in de juiste volgorde.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    bij ben Ik geweest de gemeente

    Toon antwoord

    Antwoord: Ik ben bij de gemeente geweest

    Het deelwoord sluit de zin af.

Oefen deze les in Zorg Space

In de app wordt elke regel interactief oefenen: directe correctie, herhaling op het moment dat je het bijna vergeet en voortgang die je van niveau tot niveau ziet — gratis.

Gratis beginnen